Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN
Onrust

Begin jaren ’70 veranderde er veel in de gezondheidszorg. Artsen, verpleegkundigen en studenten vonden dat de bestaande regels en structuren de zorg in de weg stonden. Zij wilden betere samenwerking tussen de verschillende beroepen, zodat de kwaliteit van zorg voor de patiënt omhoog zou gaan.

De eerste gezondheidscentra ontstonden, waar huisartsen, maatschappelijk werkers en wijkverpleegkundigen samenwerkten. Tegelijkertijd was er ook veel onrust. In 1973 voerde staatssecretaris Kruizinga een personeelsstop in de ziekenhuizen in. Dat leidde tot grote protesten.

In verschillende steden kwamen kritische samenwerkingsgroepen op. In Utrecht was dat de Werkgroep Gezondheidszorg Utrecht (WGU), in Amsterdam de Werkgroep Eerste Lijn (WEL). In al deze groepen deden wijkverpleegkundigen mee. Zij pleitten voor een sterkere eerste lijn: goede zorg dicht bij de patiënt, buiten het ziekenhuis.

Vanaf links: Gerrit van der Wal, Leonie Wegdam, Peter Buijs en Berthy van de Meijdenberg

Landelijke Aktiegroep Wijkverpleegkundigen

De Structuurnota Hendriks (1974) zorgde voor veel onrust in de gezondheidszorg. Actiegroepen kwamen in beweging. Na een landelijke studiedag voor eerstelijnswerkers in april 1975 ontstond het Landelijk Overleg van Eerstelijnswerkers (LOVEL). Hun doel was om acties te bundelen en samen sterk te staan tegenover de plannen van Hendriks.

In de zomer van 1976 hield LOVEL een enquête onder alle gezondheidsinstellingen in Nederland. De vraag was: hoe kunnen we de eerstelijnszorg versterken? Binnen LOVEL groeide de behoefte bij wijkverpleegkundigen aan een eigen overleg. Zij wilden hun werkveld beter ondersteunen en hun beroep meer zichtbaar maken.

Dit leidde in het voorjaar van 1976 tot de oprichting van de Landelijke Aktiegroep Wijkverpleegkundigen (LAW).

Kritische voortrekkers

Aan de basis van de LAW stonden wijkverpleegkundigen die in hun dagelijks werk de problemen zelf tegenkwamen. Voortrekkers waren onder anderen Femmie Breman (nu Vimalmati Breman), wijkverpleegkundige in de Spaarndammerbuurt, Nelleke Hoogendoorn en Berthy van de Meijdenberg (nu Sunahla van de Meijdenberg), beiden werkzaam in gezondheidscentrum Holendrecht, en Myriam Crijns, wijkverpleegkundige in de Kinkerbuurt. Zij werkten allemaal in Amsterdam en waren de drijvende kracht achter de oprichting van de LAW.

Interview in Trouw met Berthy van de Meijdenberg (links) en Femmie Breman (rechts)

Structuurnota Gezondheidszorg

In 1974 bracht staatssecretaris Jo Hendriks de Structuurnota Gezondheidszorg uit. Hierin stelde hij grote veranderingen voor in de gezondheidszorg. De plannen kregen al snel bijnamen als kostenbeheersingsnota of zelfs afbraaknota. Volgens tegenstanders ontbrak er iets belangrijks: aandacht voor de kwaliteit van zorg.

De nota ging vooral uit van het ‘medische model’ en legde weinig verband met zorg en welzijn. Hendriks wilde de gezondheidszorg organiseren in regionale stelsels, waarbij de huisarts de enige doorverwijzer in de eerste lijn zou zijn. Vanuit de wijkverpleging kwam kritiek: zij vonden dat hun werk zo werd teruggebracht tot een ‘bijwagenfunctie’.

Wijkverpleegkundigen verenigd!

Naast de wijkverpleegkundigen die zich in de LAW verenigd hadden, ontstond in 1976 ook de Plaatselijke Disciplinegroep Wijkverpleging Utrecht (PDG). Beide groepen maakten zich sterk voor verbetering van de eerstelijnszorg en hadden nauw contact met elkaar.

De LAW was vooral een plek om ervaringen uit te wisselen en samen te discussiëren over de gezondheidszorg. Tijdens de eerste vergadering in juni 1976 werden de belangrijkste eisen besproken. Bovenaan de agenda stond de bezuiniging van 6,8 miljoen gulden op het Kruiswerk.

Voorzichtige successen

Een oproep om steun te betuigen aan dit actiepunt leverde reacties op van maar liefst 400 wijkverpleegkundigen uit het hele land. Zij waren blij dat er eindelijk aandacht was voor hun beroep. In november 1976 werden de handtekeningen aangeboden aan de Commissie Volksgezondheid.

De actie had resultaat: de bezuinigingen werden gehalveerd. Bovendien kwam er in januari 1977 een kleine salarisverhoging. Dat was hard nodig, want wijkverpleegkundigen verdienden gemiddeld 200 gulden minder dan hun collega’s in het ziekenhuis. De eerste successen waren daarmee een feit.

Landelijke studiedag

Een belangrijke wens van de wijkverpleegkundigen was om hun werk meer inhoud en duidelijkheid te geven. De identiteit van het beroep was namelijk onduidelijk geworden, niet alleen voor de buitenwereld, maar ook voor de verpleegkundigen zelf.

Na een periode van voorbereiding vond op 22 oktober 1977 in Utrecht de eerste Landelijke Studiedag Wijkverpleging plaats. Een kerngroep met vertegenwoordigers uit verschillende plaatsen had de dag georganiseerd. Het hoofddoel was om zoveel mogelijk wijkverpleegkundigen uit het hele land te betrekken bij de activiteiten van de LAW.

Tijdens de studiedag kwamen belangrijke thema’s aan bod, zoals de rechtspositie van de wijkverpleegkundige, de samenwerking met andere beroepsgroepen en opleidingen, de financiering en de samenwerking met de wijkziekenverzorgende.

Utrecht, 22 oktober 1977: Coby van der Kolk, Myriam Crijns en Berthy van de Meijdenberg.

Opgepept en strijdbaar

Meer dan 300 wijkverpleegkundigen uit het hele land kwamen naar de studiedag. Het was een levendige bijeenkomst, waar collega’s elkaar ontmoetten, verhalen deelden en natuurlijk samen veel koffie dronken.

’s Middags gingen de deelnemers uiteen in acht werkgroepen om de belangrijkste knelpunten te bespreken. Daarna werden de ideeën in een gezamenlijke bijeenkomst samengebracht en uitgewerkt tot concrete plannen.

De dag eindigde met een speciaal geschreven strijdlied. Iedereen ging daarna weer naar huis: enthousiast, gesteund, vol goede moed, met nieuwe ideeën én strijdbaar.

Verloren identiteit

Een van de drukst bezochte werkgroepen ging over de opleiding tot wijkverpleegkundige. Daar bleek dat er grote verschillen waren tussen de MGZ-opleidingen. Sommige opleidingen legden te veel nadruk op de medische kant. Daardoor leek het meer op een herhalingscursus van de ziekenverpleging. Andere opleidingen misten methodes of besteedden weinig aandacht aan preventie en de psychosociale kant van het vak.

Wat vooral ontbrak, was een duidelijke visie op de toekomst van de wijkverpleging. De grenzen van het beroep waren onduidelijk geworden en veel wijkverpleegkundigen voelden dat zij hun eigen identiteit kwijt waren. Er was dus nog veel werk te doen.

In de jaren ’70 was er een groot tekort aan wijkverpleegkundigen. Daardoor werden er creatieve oplossingen gezocht om extra hulp te krijgen. Zo mochten A-verpleegkundigen zonder MGZ-opleiding een jaar in de wijk werken. Zij werden de ‘verpleegkundigen in de wijk’ genoemd.

Een andere oplossing was de inzet van wijkziekenverzorgenden. Deze hulpkrachten namen verschillende taken van de wijkverpleegkundige over. Hun belangrijkste werk was zorgen voor chronische zieken die thuis woonden. Ziekenverzorgenden vonden het fijn om iets anders te doen dan werken in het verpleeghuis.

De opleiding tot wijkziekenverzorgende duurde een half jaar, werd volledig betaald en gaf de titel ‘wijkziekenverzorgende’. Veel instellingen kozen al snel voor de goedkopere wijkziekenverzorgenden in plaats van gediplomeerde wijkverpleegkundigen. Volgens afspraken mocht er maximaal één wijkziekenverzorgende komen per drie wijkverpleegkundigen. In de praktijk was het verschil tussen beide functies moeilijk te maken. Daardoor stond de verhouding tussen hen lange tijd onder druk.

De tweede landelijke studiedag

Op 11 november 1978 was de tweede landelijke studiedag in de Kargadoor in Utrecht. Het thema was deze keer de eigenheid en ontwikkeling van het beroep van wijkverpleegkundige. Er kwamen ongeveer 100 mensen, iets minder dan het jaar ervoor.

De samenstelling van de groep was echter gemengd en inspirerend. Er waren wijkverpleegkundigen, verpleegkundigen die in de wijk werkten, wijkziekenverzorgenden, docenten, managers en zelfs een paar mannen.

Veel aandacht ging naar de opleiding van wijkverpleegkundigen en naar professionalisering. Vooral bij professionalisering kwam de emancipatie aan de orde en de kwetsbaarheid van het nog steeds vooral door vrouwen uitgeoefende beroep.

Er ontstond ook een korte discussie over een universitaire opleiding Wijkverpleegkunde. Maar men vond dat het vak daar nog niet klaar voor was, dus dit idee werd voorlopig in de ijskast gezet.

Rustiger vaarwater

In 1980 werd de wijkverpleging opgenomen in de AWBZ. Hierdoor werden de meeste eisen van de LAW ingewilligd. De wijkverpleegkundigen waren toen minder actief in acties. Toen de Landelijke Vereniging van Wijkverpleegkundigen (LVW) werd opgericht, gingen de meeste leden van de LAW over naar deze nieuwe vereniging.

De acties van de LAW vielen op. Binnen de organisaties kregen wijkverpleegkundigen meer invloed. Ze mochten meedoen in belangrijke commissies en men luisterde naar hen. Vooral in hometeams en gezondheidscentra kregen wijkverpleegkundigen een eigen, gelijkwaardige plek. Ze hadden dit bereikt met hun acties. De LAW deed ook veel voorwerk. Thema’s zoals werken in de buurt, de eigenheid van het beroep en de positie van de wijkziekenverzorgende kwamen op de agenda. Misschien was het belangrijkste dat wijkverpleegkundigen durfden in verzet te komen.