Wet handelings-onbekwaamheid
Verbod als gehuwde vrouw te werken
Vanaf 1924 gold er in Nederland een arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen onder de 45. Als een vrouw trouwde werd ze volgens de wet handelingsonbekwaam. Hierdoor mochten werkgevers vrouwen, voordat ze 45 jaar waren, ontslaan op de dag van hun huwelijk. Ook mochten vrouwen bijvoorbeeld geen eigen bankrekening openen of uitgaven doen zonder toestemming van de echtgenoot.
De verpleging werd in het bijzonder geraakt door deze wetgeving. In de ogen van politici was verplegen ‘vrouwenarbeid’, niet gelijk aan mannelijke beroepsarbeid. De grens voor ontslag lag op 45 jaar omdat vrouwen onder die leeftijd een grotere kans hadden om zwanger te worden. Moederlijke plichten gingen in dat geval voor, vonden de beleidsmakers. Hele generaties jonge verpleegkundigen stopten met hun werk of werden ontslagen vanaf het moment dat een huwelijk in het vooruitzicht lag. Alleen ongehuwde verpleegkundigen konden nog carrière maken.
Motie Tendeloo
In 1955 diende PvdA-kamerlid Corry Tendeloo een motie in om de wet op handelingsonbekwaamheid af te schaffen. Een kleine meerderheid (46 tegen 44) stemde voor afschaffing. In 1957 werd de wet definitief afgeschafd. Vrouwen konden daarna niet meer automatisch worden ontslagen op de dag van het huwelijk. Ondanks de afschaffing van de ontslagbepaling bleven ziekenhuizen verpleegkundigen vroegtijdig ontslaan of stopten die vrijwillig na de huwelijksvoltrekking. Pas in de jaren zeventig werden onder invloed van de feministische beweging Dolle Minavrouwen met een betaald beroep steeds meer geaccepteerd.