Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN
Inleiding
Ken jij het woord 'teringlijer'?

Veel mensen kennen het woord ‘tering’ als scheldwoord. Maar vroeger was ‘tering’ de naam voor de ziekte tuberculose (tbc). Het was een dodelijke ziekte, waarover veel verkeerde ideeën bestonden. Mensen met tbc kregen een slechte naam. Dat was zo sterk, dat het woord nu nog steeds in onze taal voorkomt.

Achter deze ziekte zit een verhaal vol verdriet, maar ook van grote inzet van verpleegkundigen. In deze tentoonstelling laten we zien hoe belangrijk zij waren in de strijd tegen tbc. Ze boden zorg, steun en hoop aan patiënten. Dat deden ze vaak onder moeilijke omstandigheden en met gevaar voor hun eigen gezondheid.

Tuberculose

In de 19e eeuw trokken veel mensen van het platteland naar de stad om in fabrieken te werken. De steden groeiden snel, maar de leefomstandigheden waren vaak slecht. Rond 1900 woonden grote gezinnen in kleine, donkere en vochtige woningen met maar één kamer. Er was geen schoon drinkwater, geen riolering en het eten was eentonig. In zulke armoedige omstandigheden kon de tuberculosebacterie zich makkelijk verspreiden.

Tbc is een besmettelijke ziekte waar mensen, arm én rijk, eeuwenlang doodsbang voor waren. Er waren toen nog geen medicijnen die goed werkten. Artsen probeerden van alles, maar rond 1900 stierven in Nederland elk jaar meer dan 10.000 mensen aan tbc. Toen arts en onderzoeker Robert Koch de tuberkelbacil ontdekte en duidelijk werd dat tbc besmettelijk was, begon een nieuwe fase in de strijd tegen de ziekte.

Voorlichting en het voorkomen van besmetting werden het belangrijkste wapen. En juist dat waren de kerntaken van de verpleegkundigen.

Met kennis paraat!

Wie als verpleegkundige wilde helpen in de strijd tegen tuberculose, kon een extra opleiding volgen tot huisbezoekster. Vooral wijkverpleegkundigen begonnen met deze opleiding. Zij kenden hun wijk goed en zagen daar veel tbc-patiënten. Om deze mensen te kunnen helpen en verdere besmetting te voorkomen, was de opleiding tot ‘tuberculose huisbezoekster’ noodzakelijk.

De opleidingen werden georganiseerd door de Nederlandsche Centrale Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose (NCV). Niet iedereen mocht zomaar beginnen. Er waren drie toelatingseisen:

  1. Je moest tussen de 24 en 35 jaar zijn.
  2. Je had een doktersverklaring nodig waaruit bleek dat je gezond was, dus niet zelf tbc kon hebben of er snel ziek van kon worden.
  3. Je moest een diploma als verpleegkundige hebben. Alleen in bijzondere gevallen werden ongediplomeerden toegelaten.
Getuigschrift huisbezoekster tuberculose. Collectie Museum voor de verpleegkunde.

De opleiding

De opleiding duurde acht maanden en bestond uit theorie en praktijk. In de theorielessen leerden de leerlingen over onderwerpen zoals hygiëne, woninginrichting, voeding en wetgeving. Zo konden de verpleegkundigen gezinnen goed uitleg geven over hoe zij besmetting konden voorkomen. In de praktijk liepen de leerlingen mee met huisbezoeken en op consultatiebureaus. Ook leerden ze hoe je gezonde, voedzame maaltijden klaarmaakte, want gezonde voeding hielp bij het versterken van de weerstand tegen tbc. Na het examen waren de verpleegkundigen klaar om als huisbezoekster een belangrijk verschil te maken!

Insigne huisbezoekster tuberculose, collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Hygiëneregels bijbrengen

Het was de taak van de wijkverpleegkundige om patiënten en hun gezinnen te helpen met nieuwe inzichten over hygiëne. Zo probeerden ze besmetting met tbc tegen te gaan. Dat was vaak moeilijk werk. De huisbezoeksters moesten soms eindeloos praten en overtuigen om mensen mee te krijgen. Niet iedereen stond open voor zulke adviezen. Veel mensen zaten niet te wachten op een wijkzuster die kwam vertellen hoe zij moesten leven.

De adviezen gingen over kleine maar belangrijke dingen: niet op de grond spugen, maar in een speciaal potje. Niezen of hoesten? Hand voor de mond. Niet alle ramen en deuren gesloten houden tegen de kou, maar juist regelmatig luchten. Niet wekenlang met hetzelfde beddengoed doen om werk en kosten te besparen, maar juist vaker wassen. En niet in hetzelfde bed slapen als de patiënt, ook niet als je getrouwd was.

Wijkverpleegkundigen deden meer dan alleen advies geven over hygiëne. Ze gingen op zoek naar plekken of mensen waar de ziekte vandaan kon komen. Ze hielpen patiënten en probeerden verkeerde verhalen over tbc te stoppen. Er gingen veel angstige verhalen rond. Sommige mensen dachten dat tbc een straf van God was. Anderen geloofden dat het een teken van de duivel was.

De manier van werken was toen heel anders dan nu. Vaak kwam de wijkzuster uit een hogere sociale klasse dan de patiënt. Zij vertelde niet alleen wat mensen moesten doen om besmetting te voorkomen, maar ook hoe ze moesten leven, volgens de regels en gewoontes van de hogere klasse. De wijkzuster moest zelf altijd het goede voorbeeld geven.

Een pionier in de wijkverpleging was Aafke Gesina van Hulst (1868–1930), roepnaam Sien. In 1905 schreef zij een boekje met de titel Reinheid, rust en regelmaat. Het was bedoeld voor jonge moeders om de gezondheid van hun kinderen te beschermen. Het ging toen nog niet over tbc, maar de drie R’en werden later belangrijk in de zorg voor tuberculose.

Wetenschappers dachten lange tijd dat tbc zich via de lucht, voedsel, speeksel én vooral via huisstof kon verspreiden. Ze geloofden dat de bacterie zich vastzette op stof en daar bleef zitten. Wie het stof aanraakte of inademde kon besmet raken. Daarom leerden wijkverpleegkundigen gezinnen hoe ze hun huis goed schoon (‘de R van rein’) konden houden. Ze kwamen regelmatig langs om te controleren of hun adviezen werden opgevolgd.

Kruisverenigingen en tbc-bestrijding

In bijna elke buurt was vroeger een kruisvereniging actief. Vanuit daar werd de wijkverpleging georganiseerd. Kruisverenigingen waren opgericht om besmettelijke ziekten, zoals tuberculose, te bestrijden. Ze hadden uitleendepots met verpleegartikelen. De wijkverpleegkundigen regelden wat er werd uitgeleend en weer teruggebracht. Veel spullen maakten het leven van tbc-patiënten iets makkelijker en hielpen om verspreiding van de ziekte te voorkomen. Zo kon je bij de kruisvereniging stalen bedden, lighuisjes en sputumpotjes lenen.

Het stalen bed was een belangrijk hulpmiddel. Het was makkelijk schoon te maken en bood een veilige, hygiënische slaapplaats. Voor tbc-patiënten was het belangrijk om niet met anderen in een kleine bedstede te slapen. Dat zou het risico op besmetting vergroten.

Voorlichting was belangrijk om verspreiding te stoppen. Tbc-patiënten hoestten veel en konden zo anderen besmetten. Wijkverpleegkundigen legden uit dat je niet op de grond mocht spugen, maar altijd in een zakdoek of sputumpotje. Het Groene Kruis leende emaillen potten en glazen flesjes uit, zodat patiënten hun speeksel veilig konden opvangen.

Frisse lucht en zonlicht waren toen belangrijke wapens tegen tbc. Men dacht dat goede ventilatie de bacteriën in de lucht verminderde. Daarom moesten patiënten in goed geventileerde ruimtes zijn.

In speciale houten ‘lighuisjes’ konden patiënten worden afgezonderd om besmetting te voorkomen. Zo’n huisje had ruimte voor een bed, een stoel en een tafeltje. Eén wand kon helemaal open en in de zijkanten zaten ramen. Het huisje stond op een draaischijf, zodat de patiënt altijd uit de wind, maar wel in de frisse lucht kon liggen. Sommige patiënten verbleven weken, maanden of zelfs jaren in zo’n huisje.

Lighuisje, ca. 1910.

Kuren in de buitenlucht

Patiënten die het zich financieel konden veroorloven kuurden in Zwitserland. Daar waren speciale sanatoria, herstellingsoorden waar patiënten konden werken aan het verhogen van hun weerstand. Dat gebeurde door heel veel rusten, het inademen van schone berglucht en het eten van grote hoeveelheden gezonde voeding. Voor de gewone mensen waren er in Nederland sanatoria, vooral op de Veluwe.

Begin jaren dertig telde Nederland 41 erkende sanatoria met samen ongeveer 3.500 bedden, veel te weinig voor het aantal zieken. Een kuur duurde vaak lang en de kosten waren hoog. De meeste mensen waren afhankelijk van liefdadigheid. Op allerlei manieren werd geld bij elkaar gesprokkeld: burenhulp, de kerk, inzamelingen, vakbonden, tuberculoseverenigingen, braderies en allerlei andere manieren. Als het geld op was, moest de kuur worden beëindigd, of de patiënt beter was of niet….

Bedverpleging in de tbc-lighal in het Rijkskrankzinnigengesticht te Medemblik. Collectie Noord-Hollands Archief.

Verplegen in het sanatorium

Een sanatorium was een afgesloten wereld. Door de behandeling, het strakke dagritme en de isolatie leefden patiënten, artsen en verpleegkundigen heel nauw samen. De dood was er altijd dichtbij. Naar een sanatorium gaan was voor veel mensen een grote stap. Ze werden plots gescheiden van hun familie en vrienden. Bezoek was zeldzaam door beperkte bezoektijden, hoge reiskosten en angst voor besmetting.

Verpleegkundigen hadden drie belangrijke taken in het sanatorium:

Elke maand waren er vaste onderzoeksmomenten. Eén daarvan was de bronchoscopie: een buis ging via de luchtpijp naar de longen. Dit onderzoek was erg vervelend voor de patiënt. Verpleegkundigen hielpen de arts en stelden de patiënt gerust. Ze hielden ook goed in de gaten hoe patiënten zich voelden. Als er iets veranderde in gedrag of gezondheid grepen ze, na toestemming van de arts, direct in.

De dagen in bed of in de lighal waren lang en saai. De dokter bepaalde of er ruimte was voor afleiding. Dat werd gezien als onderdeel van het behandelprogramma, dat weer per patiënt verschilde. Verpleegkundigen waren onmisbaar bij de praktische uitvoering van alle activiteiten. Verjaardagen van patiënten werden bijvoorbeeld altijd goed gevierd, op feestdagen speelden de patiënten spelletjes en in de zalen werd gezongen of geluisterd naar de radio. Soms zongen verpleegkundigen mee met de muziek of voor de patiënten. Door de lange duur van het sanatoriumverblijf ontstonden warme banden tussen patiënten en verpleging. Veel zusters trouwden zelfs met hun mannelijke patiënten. Dat komt omdat de zusters veelal jong waren, leerling-verpleegsters, en tbc slaat vaak toe op op jeugdige leeftijd, dus het merendeel van de mannelijke patiënten was van dezelfde leeftijd als de zusters.

Verpleegkundigen zorgden voor een schone omgeving. Ze hielden de zalen schoon, wasten de pateinten, deelden eten en medicatie uit, begeleidden de patiënten naar de onderzoeken, reden de patiënten in hun bedden van de zalen naar de balkons voorzalen waar ze in de zon konden kuren, ze hielden toezicht op het naleven van de verplichte rust. Zo haalden ze de sputumpotten op en kookten ze die uit zodat ze weer steriel waren (ze verafschuwden de ‘sputumpottendienst’!) . Dit was belangrijk om besmetting te voorkomen.

Beroepsziekte

Verpleegkundigen moesten regelmatig gezondheidstests ondergaan en er waren strikte regels om het risico op besmetting met tbc te verlagen. Bijvoorbeeld: als je ziek was en je immuunsysteem was verzwakt, dan moest je eerst volledig herstellen voordat je weer op de afdeling mocht werken.

Een verpleegkundige in sanatorium Sonnevanck vertelt: “Ze waren heel streng op ons. Op wat we moesten eten, en dat we wel melk dronken. Ze controleerden of we aan tafel kwamen. En als we niet kwamen dan werd er gevraagd waarom je niet aan tafel was geweest.”  Desondanks liepen verpleegkundigen tuberculose op door contact met patiënten, ondanks maatregelen zoals mondkapjes, beschermende kleding, afstand houden, ventilatie en de BCG-vaccinatie. Tuberculose werd pas in 1949 erkend als een beroepsziekte voor verpleegkundigen.

Hoofdverpleegkundige en verpleegkundigen in de tuberculose-lighal van het Provinciaal Geneeskundig Gesticht voor krankzinnigen Meerenberg. Collectie Noord-Hollands Archief.

Bleekneusjes

Het verblijf in een sanatorium was een ingrijpende gebeurtenis. Niet alleen voor volwassenen, maar zeker ook voor kinderen.

Verzwakte en zieke kinderen werden naar sanatoria of vakantiekolonies gestuurd. Vooral kinderen uit  grote steden als Rotterdam en Amsterdam moesten op advies van de dokter aansterken in de Nederlandse bossen of aan de kust. Hun bijnaam was ‘bleekneusje’.

De bleekneusjes leefden soms jaren lang gescheiden van hun ouders, broertjes en zusjes en kregen weinig bezoek. Veel kinderen hadden heimwee naar huis. Zeker de eerste dagen, wanneer alles nog nieuw en anders was. Een Fries meisje vertelde dat ze in een sanatorium op de Utrechtse Heuvelrug terechtkwam. Niemand verstond haar en hierdoor verlangde ze nog meer naar huis. Elke avond kwam een van de verpleegkundigen, ook uit Friesland, met haar praten. Zo creeërde de verpleegkundige toch een gevoel van herkenning en thuis.

Wekelijks mochten de kinderen brieven naar huis schrijven, maar alleen in potlood. Zo kon de leiding nare gebeurtenissen en gevoelens van heimwee eruit gummen. Wat ze geregeld deden.

De strakke dagindeling was voor veel kinderen een uitdaging. Er werd op vaste uren gegeten, bewogen, geleerd en geslapen.’s Morgens moesten ze een heel bord havermoutpap leegeten. Niet leeg, dan bleef je zitten tot de laatste kruimel.

Ook melk drinken hoorde erbij. De kinderen moesten verplicht tot zes bekers melk per dag drinken. In gewicht aankomen was een van de belangrijkste doelen van het verblijf.

’s Avonds ging het licht al om acht uur uit. Ondanks de strakke dagindeling bleef er tijd voor wandelingen en activiteiten, maar vooral voor veel rusten.

De verpleegkundigen deden er alles aan om het verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Zeker voor de allerkleinsten. Ze lazen boekjes voor en speelden spelletjes met de kleuters. Natuurlijk vonden de kinderen de ene verpleegkundige leuker dan de andere. Als een favoriete verpleegkundige naar een andere zaal vertrok, leidde dit vaak tot veel verdriet.

De ervaringen in een sanatorium of vakantiekolonie waren uiteenlopend. Sommigen hadden heel fijne herinneringen, anderen omschreven hun verblijf als een nachtmerrie. Het was bovenal een ervaring die hen voor de rest van hun leven vormde.

Een nieuw tijdperk

Tussen 1952 en 1957 daalde de sterfte aan tuberculose met 60 procent. Er kwamen steeds meer lege bedden in de sanatoria. In 1957 stonden er zelfs 1.300 bedden leeg. Veel sanatoria besloten zich om te vormen tot ziekenhuis omdat hun oorspronkelijke functie steeds minder nodig was.

Rond de jaren vijftig werden grootschalige bevolkingsonderzoeken georganiseerd. Het eerste onderzoek in Nederland vond plaats in 1948 in het dorp Boekel. Alle inwoners kregen een uitnodiging voor een röntgenologisch borstonderzoek. Daarnaast reden consultatiebusjes rond om nog meer mensen te bereiken. Deze screenings hielpen snel zieke mensen te vinden en speelden een belangrijke rol in het terugdringen van tbc.

Medicijnen

In 1946 kwamen de eerste medicijnen tegen tbc op de markt. Artsen beschouwden de medicijnen aanvankelijk als een aanvulling op de traditionele behandeling, waarbij rust het belangrijkst bleef.

Eén van de eerste medicijnen was para-aminosalicylzuur (PAS). Het was in het begin moeilijk te verkrijgen en erg duur, maar gelukkig veranderde dat snel. Meer tbc-patiënten konden nu naast rust ook dit medicijn krijgen. PAS was een dik, donker goedje met een vieze smaak. Verpleegkundigen moesten er streng op toezien dat de patiënten hun medicijn goed innamen en alles doorslikten. Soms werd een potje  uit het raam gegooid.

Vanaf de jaren zeventig werd tuberculose beschouwd als een minder ernstige ziekte die goed te genezen was.

Vandaag de dag

Tbc is vandaag de dag grotendeels verdwenen uit het geheugen van de Nederlanders, maar de besmettelijke ziekte is niet verdwenen uit de wereld. In Nederland worden jaarlijks zo’n 700 mensen behandeld tegen tbc. Dit zijn vooral mensen uit kwetsbare groepen, zoals mensen die gevlucht zijn of mensen zonder vaste verblijfplaats. Wereldwijd is tbc nog steeds een van de dodelijkste ziekten, met jaarlijks 1,3 miljoen dodelijke slachtoffers.

 

De rol van verpleegkundigen

Toen het aantal tbc-patiënten eenmaal daalde, daalde ook het aantal tbc-verpleegkundigen. In 2025 zijn er nog maar zestig tbc-verpleegkundigen actief in heel Nederland. Zij gaan bijvoorbeeld langs bij dak- en thuislozen om te controleren of de patiënten hun antibioticakuur zorgvuldig volgen. Deze kuur duurt zes maanden en regelmatig contact is belangrijk om de patiënten te ondersteunen en ze aan te moedigen de kuur af te maken.

Tegenwoordig kunnen mensen bij de GGD terecht voor advies, onderzoek en vaccinaties tegen tbc. Het KNCV Tuberculosefonds zet zich wereldwijd in voor de bestrijding van tbc. Het biedt ook een platform waar tbc-patiënten en ex-patiënten hun ervaringen kunnen delen. Er rust nog steeds een taboe op tbc, maar door er meer over te praten en ervaringen te delen, hoopt het fonds dit taboe te doorbreken.

Informatie folder tuberculose, 2025. Bron: RIVM.

  • Debroyer, Tim. ‘Tussen ervaringsdeskundigheid en mededogen. De verpleegkundigen van de laatste sanatoriumpatiënten in België, 1947-1986’. Historica | tijdschrift voor gendergeschiedenis, vol. 47, no. 2, Jul. 2024, pp. 11–15.
  • Huetinh, E., Sociaal verpleegkundigen en tuberculosebestrijding. Een beroep in historisch perspectief (Maarssen, 1998).
  • Lieburg, M.J. van red., Een eeuw thuiszorg in Rotterdam 1901-2001 (Rotterdam, 2001).
  • Jamin, Hervé, 125 jaar thuiszorg 1875-2000. Oude tradities en nieuwe ambities (Baarn, 1999).
  • Spits, Jet. ‘De wijkzuster en tuberculose’. TVZ – Verpleegkunde in praktijk en wetenschap, vol. 134, no. 4, Aug. 2024, pp. 18–19.