Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN
Inleiding

In Nederland was thuis bevallen jarenlang heel gewoon. Dat bleef zo, ook toen in andere westerse landen bevallen steeds meer iets van het ziekenhuis werd. Nederlandse vrouwen kozen liever voor de vertrouwde omgeving van hun eigen huis dan voor de verloskamer in het ziekenhuis. Tegenwoordig verandert dat. Het aantal thuisbevallingen neemt sterk af. Hoe gaat die ontwikkeling verder, en wat betekent dat voor de kraamzorg en het werk van de kraamverzorgende?

Bakers en vroedvrouwen

Wie in de tweede helft van de 19e eeuw thuis beviel, kreeg vaak hulp van bakers en vroedvrouwen. Bakers bleven meestal enkele weken in het gezin om na de bevalling voor moeder en kind te zorgen. Het waren vaak oudere, ervaren vrouwen die zelf kinderen hadden grootgebracht en andere moeders hadden geholpen. Voor onervaren kraamvrouwen was de baker een belangrijke steun. Over bakers gingen heel verschillende verhalen rond. Sommigen vonden dat ze lui, dronken of onoplettend waren. Zulke bakers kwamen inderdaad voor, maar er waren ook veel bakers die juist heel toegewijd en bekwaam waren.

Baker Willemse uit Zwolle, ca.1890. Collectie Museum voor de verpleegkunde.

Trui Klein, een goede baker

Trui Klein was een baker die haar vak verstond. Zij hielp talloze moeders op uitstekende wijze door de kraamtijd. De Utrechtse huisarts Ausems, die rond 1900 vaak met haar samenwerkte, schreef vol lof: “Trui was nooit moe, altijd even vriendelijk van humeur, ijverig, precies en betrouwbaar. Ze deed niets verkeerds, luisterde goed naar opmerkingen over de verpleging en paste die ook echt toe.” Juist dat laatste vonden artsen en vroedvrouwen belangrijk. Niet alle bakers wilden of konden namelijk de nieuwe medische inzichten volgen. Sommigen hielden vast aan oude ‘bakerpraatjes’ over gezondheid. Het gevolg was dat in die tijd nog veel moeders en baby’s overleden.

Trui was nooit moe, altijd even vriendelijk van humeur, ijverig, precies en betrouwbaar. Ze deed niets verkeerds, luisterde goed naar opmerkingen over de verpleging en paste die ook echt toe.
Huisarts Ausems, 1900

·        Als je schrikt van een dier krijgt je kind een raar stuk huid dat lijkt op dat dier.

·        Als je een zwangere vrouw veel laat schrikken krijgt ze een schrikachtig kind.

·        Als je veel aan je buik krabt, krijg je een kindje met veel haar.

·        Ben je in de eerste 3 maanden erg misselijk geweest, dan wordt het een meisje.

·        Als vreemde katten op je schoot gaan zitten of bij je komen liggen, ben je zwanger.

·        Ochtendbraken wordt veroorzaakt door het kriebelen van het hoofdhaar van het kindje.

·        Veel melk drinken geeft de baby een mooi witte huid.

·        Veel azijn drinken, geeft een makkelijke bevalling.

De noodzaak van scholing

Rond 1900 stierf in Nederland nog 1 op de 7 baby’s vóór de eerste verjaardag. Het was de tijd van fabrieken en grote trek naar de stad, waar veel gezinnen in slechte huizen woonden en de volksgezondheid te wensen overliet. Vooruitstrevende artsen maakten gebruik van nieuwe medische ontdekkingen. Koch vond de bacterie, Lister ontdekte het belang van ontsmetting en Semmelweis liet zien dat artsen hun handen moesten wassen vóór een inwendig onderzoek. Zo kon de vaak dodelijke kraamvrouwenkoorts worden voorkomen.

Toch drongen deze inzichten maar langzaam door tot in de huiskamers van moeders en bakers. De roep om beter opgeleide hulp bij thuisbevallingen werd steeds groter. Om bakers en moeders bekend te maken met de nieuwste inzichten over hygiëne, begon het Witte Kruis in 1899 met een speciale moeder-bakercursus.

Deze foto is in scene gezet om te laten zien hoe het nét moet: Baker proeft de melk om de temperatuur te testen, ca. 1900. Collectie Museum voor de verpleegkunde.

Kort daarna kwam Aafke Gesina van Hulst, bekend van haar vernieuwende werk voor het Groene Kruis en van de brochure Reinheid, Rust en Regelmaat, met eigen leerstof, die ze zelf schreef én illustreerde. Daarin benadrukte ze niet alleen het belang van hygiëne, maar ook van borstvoeding. Al snel volgden andere kruisverenigingen, artsen en vroedvrouwen haar voorbeeld. Het plan was dat bakers vooral zouden gaan werken bij arme gezinnen. In de praktijk liep dat anders, want bakers mochten nog altijd zelf kiezen waar en bij wie ze werkten.

Aafke
Gesina van Hulst

1868-1930
Aafke Gesina van Hulst was een pionier van de wijkverpleging in Nederland. In 1894 begon zij hiermee in Harlingen. Twee jaar later richtte zij een vereniging op die in 1902 onderdeel werd van het Groene Kruis.

In 1894 begon Van Hulst in Harlingen als wijkverpleegster. In tegenstelling tot Engeland was wijkverpleging in Nederland toen nog nauwelijks...

Deze cursussen waren bedoeld voor moeders, aanstaande moeders, bakers, wijkverpleegsters en jonge meisjes. Volgens Aafke Gesina van Hulst mo...

Reinheid, Rust en Regelmaat

In haar boek Reinheid, rust en regelmaat beschreef Van Hulst haar ideeën over kraamzorg. Deze drie ‘R’s zijn nog altijd bekend. Ze had ...

Van Hulst leidde veel wijkverpleegsters op. In 1920 begon op haar initiatief een aanvullende cursus voor gediplomeerde verpleegsters, waarin...

Nederlandse Bond voor Wijkverpleegsters

In 1927 richtte Aafke Gesina van Hulst samen met enkele collega’s de Nederlandsche Bond voor Wijkverpleegsters op. Deze bond moest zorgen ...

Van Baker naar kraamverzorgster

Vanaf het begin van de 20e eeuw ging de overheid zich steeds meer bemoeien met de volksgezondheid. In 1926 stelde de Commissie inzake Kraamhulp een nieuwe opleiding voor bakers op, en daarnaast een uitgebreidere scholing voor kraamverzorgsters. Een leerling-kraamverzorgster kreeg anderhalf jaar les in theorie en praktijk, waarvan een half jaar in een kliniek. Haar belangrijkste taak was om problemen tijdig te signaleren en daarover voorlichting te geven. Daarnaast hielp ze bij de bevalling, verzorgde moeder en kind en hield nauwkeurig bij wanneer iets afweek van een normaal kraambed.

De vraag naar goed opgeleide kraamverzorgsters bleek echter veel groter dan de capaciteit van de opleidingen. Daarom boog de Commissie zich in de jaren ’40 opnieuw over de organisatie van de kraamzorg. Om de kwaliteit van de kraamzorg te bewaken, probeerde de overheid het zogeheten wild bakeren terug te dringen. Eind jaren ’20 kreeg een kraamverzorgster haar insigne, het bewijs dat ze haar opleiding had afgerond, alleen als ze zich inschreef bij een plaatsingsbureau.

Insigne kraamverzorgende. Collectie Museum voor de verpleegkunde.

Het insigne kon weer worden ingetrokken wanneer ze haar werk niet goed deed. De verplichte inschrijving bleek echter geen blijvende oplossing. Het systeem werd meerdere keren afgeschaft en opnieuw ingevoerd. Eén regel bleef wel altijd gelden: de kraamverzorgster moest verantwoording afleggen aan de vroedvrouw, de arts of de kraamverpleegster.

De kraamverzorgende

Eind jaren ’40 nam de regering het advies van de Commissie inzake Kraamhulp over. Dat betekende grote veranderingen. Voortaan mochten alleen nog kraamverzorgsters het beroep uitoefenen. Bakers met een diploma konden zich laten omscholen. In de opleiding kregen studenten niet alleen les in medische en pathologische vakken, maar ook in huishoudkunde en persoonlijke vorming. Het theoretische deel werd gecentraliseerd en leidde tot de oprichting van opleidingsinternaten door de kruisverenigingen.

Na hun diploma zorgden kraamverzorgsters overdag voor moeder, kind én het huishouden. Wijkverenigingen boden daarnaast ook kraamzorg aan met minder uren per dag, maar dan zonder hulp in de huishouding. De verplichte inschrijving bij een plaatsingsbureau keerde terug. En vanaf dat moment vielen kraamverzorgsters ook onder de sociale verzekeringen.

Diploma van Maria Voss, uitgegeven door het Wit-Gele Kruis, Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Annie volgde in de jaren ’50 de internaatsopleiding tot kraamverzorgster. Ze herinnerde zich vooral de grote gezinnen waarin ze terechtkwam. Dat was een tijd zonder wegwerpluiers, automatische wasmachines of drogers. De was moest nog met een borstel en een wasplank worden gedaan.

Annie werkte vaak tien dagen achter elkaar, elf uur per dag. Daarna kreeg ze twee dagen vrij – als ze geluk had. Was het druk, dan moest ze het met één dag doen. Ze was blij dat ze tijdens de lessen omgangskunde had geleerd hoe je je als gast in een gezin moest gedragen en je kon aanpassen. Alleen: een gast die heel hard moest werken. “Een vader die even hielp, of zelf zijn brood smeerde, kwam niet voor,” vertelde ze later.

Internaatsopleiding

Vanaf 1950 volgden kraamverzorgsters hun opleiding in internaten of vormingscentra. Daar kregen ze eerst drie maanden achter elkaar theoretisch onderwijs. Daarna werkten ze een jaar lang in de praktijk, onder begeleiding van een docente. Het doel was om leerlingen in een rustige omgeving goed voor te bereiden op het zware beroep. In het internaat konden de docenten de groep beter begeleiden, terwijl het samenleven juist hielp om sociale vaardigheden te ontwikkelen.

Tijdens de opleiding lag de nadruk niet alleen op kennis, maar ook op eigenschappen als flexibiliteit, geduld, vriendelijkheid, mensenkennis en kunnen zwijgen. En dat was nodig: een kraamverzorgster wisselde vaak om de paar dagen van gezin en werkte altijd midden in de privésfeer van anderen. Toch kijken veel kraamverzorgsters met plezier terug op hun internaatsperiode: leerzaam, afwisselend en vaak ook gewoon leuk.

Brochure opleiding tot kraamverzorgster te Vught, ca. 1960. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Voor- en nadelen van het internaat

Tijdens de internaatsopleiding kreeg de leerling kost, inwoning en zakgeld. Tijdens de praktijkfase assisteerde ze bij bevallingen, verzorgde ze kraamvrouwen en hun baby’s en hield ze het huishouden draaiende. Daar kreeg ze een vergoeding voor.

Net als een leerling-verpleegster in de inservice-opleiding was een leerling-kraamverzorgster dus dubbel afhankelijk van haar werkgever, die tegelijkertijd ook haar opleider was. Als ze voor een onderdeel zakte, kon ze vaak niet bij een ander internaat verder leren. Een voordeel was wel dat ze na het behalen van haar diploma altijd werk had via het kraamcentrum waarbij ze was aangesloten. Sinds 1976 geldt deze verplichting niet meer en kan een kraamverzorgster nu overal aan de slag.

Veelzijdig

Naast persoonlijke vorming richtte de nieuwe internaatsopleiding veel aandacht op pathologie. Kraamverzorgsters leerden afwijkingen in het kraambed te herkennen. Rapportages aan de huisarts en verloskundige werden belangrijker en hun verantwoordelijkheid nam toe. Tegelijkertijd hoefden ze minder tijd aan het huishouden te besteden, doordat apparaten zoals wasmachines en stofzuigers steeds vaker gebruikt werden. Dat gaf hen meer tijd en aandacht voor moeder en kind. De opleiding bleef zich verbeteren, bijvoorbeeld met de herziening van 1971, toen alle leerlingen hetzelfde lespakket kregen. De veelzijdige opleiding van kraamverzorgsters en hun samenwerking met huisartsen en verloskundigen waren cruciaal voor de populariteit van thuisbevallingen in Nederland.

Gepastificeerd metalen rekje met alle Zwitsal producten voor de verzorging van de baby, geïntroduceerd in 1928. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Toekomst van de kraamzorg

Na 1980 verdwenen de verschillende kruisverenigingen, waardoor de basis voor de internaatsopleidingen verdween. Een van de laatste internaten, De Vuurmand in Noordwijk, sloot in 1988 zijn deuren. Sinds 1983 bestaat er een dagopleiding, waardoor kraamverzorgsters minder afhankelijk zijn van hun werkgever. Deze vorm van onderwijs maakt het ook mogelijk voor leerlingen die geen internaatsopleiding kunnen volgen.

Eind vorige eeuw professionaliseerde het beroep van kraamverzorgster verder, met eigen vakbladen. In 2012 werd de Stichting Kenniscentrum Kraamverzorging opgericht. Dat zijn belangrijke stappen voor de ongeveer 10.000 kraamverzorgsters in Nederland. Toch hangt de toekomst van hun vak mede af van het lopende debat over de veiligheid van thuisbevallingen.

Onze tips:

  • Brink-Poort, Martha van, Aafke Gesina van Hulst (Utrecht, 1960).
    Goote, Helen, Van bakerhulp naar verzorgende. Een beeld van de kraamverzorgstersopleiding (Bunnik, 1988).
  • Goote, Helen, Van bakerhulp naar verzorgende. Een beeld van de kraamverzorgstersopleiding (Bunnik, 1988).
  • Hout, Anne-Marie van, Nannie Wiegman, Helma van den Berg, Zoevende zusters. Zorg thuis, toen, nu en straks, eindredactie Dolly Verhoeven (Zetten, 2009).
  • Jamin, Hervé, 125 jaar thuiszorg 1875-2000. Oude tradities en nieuwe ambities (Baarn, 1999).
  • Meij-de Leur, A.P.M. van der, Van olie en wijn. Geschiedenis van verpleegkunde, geneeskunde en sociale zorg (2e druk, Amsterdam/Brussel, 1974).