Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN

Er is een noodgeval. Je belt 112. Een verpleegkundig centralist neemt op en helpt je. Binnen 15 minuten staat de ambulance voor je neus, met een speciaal opgeleide chauffeur en verpleegkundige. Zij hebben allerlei kennis en apparatuur paraat om je leven te redden en pijn te verlichten, als dat nodig is. Als er iets is, kunnen we rekenen op de ambulance.

Maar wist je dat dit systeem nog geen 50 jaar oud is?
In 125 jaar is de ambulancezorg uitgegroeid van een taxi naar het ziekenhuis tot een Intensive Care op wielen.

Vervoer van een patiënt per fietsbrancard, begeleid door een verpleegster, ca. 1900. Op de achtergrond de gevel van een Groene Kruisgebouw. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Pioniers van het ziekenvervoer

Tijdens oorlogen, rampen en epidemieën was er van oudsher een grote noodzaak voor het organiseren van vervoer van zieken en gewonden. De eerste vormen van georganiseerd ziekenvervoer en noodverpleging zien we dan ook daar terug. In Nederland startte het georganiseerde ziekenvervoer buiten oorlogssituaties rond 1900.

Brancard, ca. 1920-1940. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Nederland industrialiseerde in die tijd snel. De bevolking was enorm gegroeid. Voor de opkomst van de industrie leefden de meeste mensen op het platteland, nu woonden veel mensen in steden. Ze werkten bijvoorbeeld in mijnen en fabrieken. Daar kwamen bedrijfsongelukken vaker voor. Door de slechte leefomstandigheden in steden grepen besmettelijke ziekten zoals cholera en tuberculose, gemakkelijk om zich heen. Daardoor waren er steeds meer mensen die zorg nodig hadden en naar ziekenhuizen gebracht moesten worden.

Per fietsbrancard naar het ziekenhuis

Enerzijds ontstonden in deze nieuwe, industriële samenleving dus nieuwe problemen. Anderzijds waren er ontdekkingen, zoals de uitvinding van anesthesie, bepaalde operaties, antisepsis (steriliseren en desinfecteren van medische hulpmiddelen) en antibiotica. Hierdoor konden mensen vaker en beter behandeld worden in het ziekenhuis, maar moesten ze er dus ook vaker naartoe worden gebracht.

Ook op het vlak van communicatie en vervoer werden nieuwe dingen uitgevonden; de telefoon en de automobiel werden uitgevonden, twee belangrijke elementen van ambulancezorg. De eerste Nederlandse ziekenautomobiel ging in 1907 de weg op.

Vervoer van een patiënt per rijwielbrancard, 1910. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Eerstehulpverlening en het vervoer van zieken en gewonden was in eerste instantie in veel steden en dorpen ondergebracht bij de politie. Bij vechtpartijen en ongelukken kwam die toch al ter plaatse en de politie was dag en nacht beschikbaar. Met een koets, rader- of fietsbrancard werden de patiënten vervoerd.

Erg comfortabel was zo’n hobbelige brancard niet. Daarnaast waren politieagenten eigenlijk niet helemaal geschikt voor deze taak, ze hadden tenslotte geen verplegingsopleiding gevolgd. Ze waren daardoor lang niet zo goed getraind in wond- en ziekteverzorging als verpleegkundigen. Daarnaast had de politie nog allerlei andere taken.

Het was dus veel handiger als verpleegkundigen het ziekenvervoer op zich zouden nemen. In Nederland speelden verpleegkundigen al vroeg een belangrijke rol in de ontwikkeling van het ziekenvervoer ten opzichte van haar buurlanden. De Amsterdamse GGD en de kruisverenigingen waren daarin pioniers.

Verscheidene vervoersmiddelen zoals een rolstoel, een brancardwagen, een 'ziekenwagen', een rijwielbrancard en een brancard tussen twee fietsen, 1910. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

De Amsterdamse GGD

In 1901 was de eerste Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (GGD) van Nederland actief in Amsterdam. Bij de GGD werden allerlei gemeentediensten rondom openbare hygiëne, zoals de keuring van voedingsmiddelen en de ontsmettingsdienst, bij elkaar gebracht in één dienst. De artsen en verplegers van de Amsterdamse GGD kregen ook de eerstehulpverlening en ziekenvervoer in hun takenpakket. De GGD had ‘zittingslokalen’ door de stad waar stedelingen konden aankloppen voor medische hulp. Ook had de GGD een eigen telefooncentrale, die werd bemand door verplegers. Bij GGD-lokalen waren vervoersmiddelen gestationeerd, zodat verplegers konden uitrukken wanneer een patiënt niet ter been was of bij ongelukken. De dienst was daardoor goed bereikbaar.

Een patiënt wordt met een brancard een smalle trap af getild, 1910. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

De Amsterdamse GGD was een echt mannenbolwerk. Ze rekruteerde de verplegers veelal uit de militaire en krankzinnigenverpleging. Hierdoor wisten ze veel af van het omgaan met kwetsbare of gewelddadige patiënten en het verplegen van zieken en (zwaar)gewonden. Dat was nodig. Bij de GGD meldden zich geregeld patiënten met een alcoholverslaving of psychiatrische problemen, waardoor verplegers fysiek overwicht moesten kunnen bieden als een patiënt zich agressief gedroeg. Daarbij was de automobiel was nog zeldzaam in deze tijd. Verplegers moesten er vaak met een rijwielbrancard op uit. De brancards moesten gedragen worden. Dat was niet altijd makkelijk met de vele ‘driehoogachter’-woningen in Amsterdam. Om die redenen werd het werk als ongeschikt voor vrouwen gezien.

Een ambulance van de GGD voor het pand van een schildersbedrijf, jaren ’30. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Een voorbeeld voor andere steden

Het spoedvervoer was nog beperkt. Als er ergens een ongeluk gebeurde, kwam de ambulance vooral ter plaatse om de patiënt op te halen. Als iemand te water raakte of slachtoffer was van kolendampvergiftiging, rukte ook een GGD-arts mee uit om te helpen reanimeren. De inhoud van een ambulance was simpel: een EHBO-trommel, brancard, spalken en soms een zuurstofapparaat. Het was een kwestie van ‘inpakken en wegwezen’. Een patiënt werd alleen naar het ziekenhuis gebracht als het niet mogelijk was om thuis verzorgd te worden. Die lat lag hoog. Dat was niet zonder gevolgen. Er overleden geregeld mensen met hoofdwonden thuis na een ongeluk.

Het vervoer van een vlektyfuspatiënt, via een ambulancekoets. Ook het gezicht en de schoenen van de patiënt zijn bedekt tegen besmetting door de luis. De verplegers dragen beschermende kleding, Rotterdam, 1919. Collectie Het Leven/Nationaal Archief

De GGD-verplegers kregen in de loop van de tijd ook de taak om vervoer van patiënten met besmettelijke ziekten en het opnamevervoer naar de ziekenhuizen te regelen. Wanneer de verplegers niet werden opgeroepen voor ziekenvervoer, verrichtten ze medische keuringen en onderzoeken en gaven ze inentingen en voorlichting.

De Amsterdamse GGD was een voorbeeld voor andere steden, waar vanaf de jaren ’10 ook GGD’s werden opgericht. Voor de Tweede Wereldoorlog kwamen er 26 GGD’s bij. Maar lang niet overal waren de GGD en het ziekenvervoer een mannenbolwerk, zoals in Amsterdam. Het overgrote deel van de verplegenden was vrouw. Op de meeste plekken begeleidden ziekenhuisverpleegsters en wijkverpleegkundigen patiënten tijdens vervoer als onderdeel van hun werk. Zij waren dus net als de Amsterdamse GGD-verplegers geen speciaal opgeleide ambulanceverpleegsters. Een dergelijke opleiding of aantekening bestond ook nog niet.

Verpleegsters van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam poseren bij een GGD-auto, Collectie Stadsarchief Amsterdam

De kruisverenigingen

Op het platteland was een organisatie als de GGD niet mogelijk. Wel waren daar kruisverenigingen actief.  Deze lokale organisaties zorgden voor de wijkverpleging en hadden goed contact met de mensen. Zij merkten de behoefte aan ziekenvervoer ook op, maar konden slechts simpele ziekenvervoersmiddelen kopen zoals rader- en rijwielbrancards. Voor vervoer per ziekenauto maakten ze graag afspraken met particuliere vervoerders die hun leden voor een zachte prijs vervoerden. Een wijkverpleegster begeleidde de patiënt tijdens het vervoer.

Maar hoe kon iemand beroep doen op de ambulance in een tijd waarin nog bijna niemand een telefoon had? Vaak belde de huisarts, politie of het ziekenhuis een ambulance. Zij hadden de juiste contacten en wisten wel wie ze moesten bellen. Burgers konden een telegraaf sturen, maar het telegraafkantoor sloot ’s avonds en ging pas om 8.00 weer open. Alle spoedvragen bleven de hele nacht liggen. Dat kon beter.

Een ambulancekoets van het Witte Kruis, 1910. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

In 1913 begon het Groene Kruis in Groningen een ‘nachttelefoondienst’ met een centralist. De bel- en salariskosten waren voor rekening van het Groene Kruis. Huisartsen konden daardoor ook ’s nachts een ziekenauto bestellen bij de particuliere vervoerders die door het Groene Kruis waren aangewezen. Kruisverenigingen in andere provincies volgden dit voorbeeld. Maar als er echt grote nood was, moest er nog altijd razendsnel gefietst of zelfs gerend worden om hulp te halen.

Vanaf de jaren ’30 kregen meer mensen een telefoon thuis. Wie er zelf geen had, kon wel bij de buren terecht. Huisartsen maar ook garage- en taxibedrijven) hadden er vaak thuis één, waardoor de peperdure nachttelefoondienst van de kruisverenigingen niet meer nodig was.

Ambulanceverhalen

In lokale kranten verschijnen in de twintigste eeuw geregeld vermeldingen van ongelukken waarbij ambulances betrokken zijn, of er is anders nieuws rondom ambulances te melden. Die korte artikeltjes geven een goed beeld van de tijdsgeest en omstandigheden van die tijd. Zo zie je bijvoorbeeld de verzuiling en religie (het toedienen van sacramenten op de ambulance), de opkomst van de draaischijftelefoon in huishoudens, en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog (de torpedering van een vrachtschip op internationale wateren) terug in de nieuwtjes.


Kees
Rooijens

1907-1997
Kees Rooijens was een verpleger met een groot hart voor zijn medemens, in het bijzonder voor psychiatrisch patiënten. Hij stond aan de wieg van het ambulancevervoer in Utrecht en Nijmegen en maakte als ambulancebroeder de Slag om Nijmegen mee. Toen hij als verpleger letterlijk en figuurlijk voor hete vuren kwam te staan, putte hij veel steun uit zijn geloof in God.

Bedachtzaam, bescheiden, vroom

Kees begon op zijn zeventiende met de in service-opleiding tot B-verpleger. Dat betekent dat hij intern opgeleid werd in de krankzinnigenver...

Het gesticht bood Kees een vaste aanstelling aan, maar die sloeg hij af. In november 1929 startte hij met de A-opleiding, een opleiding tot ...

In zijn praktijkboekje valt terug te vinden dat hij bij mannelijke patiënten werd ingezet, wederom is er met de hand een aanpassing gemaakt...

Op 10 januari 1933 trouwden Kees en Lies in Tilburg. In juni begon Kees bij de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) ...

Daarnaast zette Kees zich in vrije tijd in als vrijwilliger door zieken per ambulance naar kerkdiensten te vervoeren. Kortom, hij hield zich...

De Nijmeegse GG&GD

In 1938 solliciteerde Kees in Nijmegen, waar de GG&GD nog opgezet werd. Hij had behoefte aan een serieuzere functie. Kees had een brede ...

In mei 1940 bezet Nazi-Duitsland. De bezetting veranderde het dagelijks leven, maar ook in de grensstad Nijmegen ging het leven door. Kees k...

Grensstad in de oorlog

Kees maakte als verpleger veel traumatische momenten mee. Met name tijdens de Slag om Nijmegen in september 1944 zag hij veel ellende. Kees ...

Samen met een goede vriendin en collega, Zuster Hochstenbach, Miek voor intimi, reed Kees rond om slachtoffers te helpen. Het ambulancewerk ...

Na de oorlog vertelde Kees geregeld over zijn ervaringen te vertellen. Hij ontving vanwege zijn oorlogsverdiensten het Herinneringskruis 194...

‘Een voorkomen als geneesheer’

In de jaren ’50 reed Kees per jeep door Nijmegen om zijn patiënten te bezoeken. Zijn oudste zoon Gerard zat achter het stuur. Soms mocht ...

Toneel, poëzie en bedevaartstochten

Kees Rooijens was naast zijn werk lid van de katholieke liefdadigheidsorganisatie de Sint Vincentiusvereniging. Hij hield ook van poëzie, k...

EHBO-cursussen en reanimatietechnieken

Na de Tweede Wereldoorlog en Duitse bezetting waren er amper werkende ambulancevoertuigen overgebleven. De geallieerden schonken bij hun vertrek wel een aantal legerambulances aan het Rode Kruis, die ze over het land verdeelde. Tijdens de wederopbouw pakten de GGD’s en kruisverenigingen de draad weer op. Er werden nieuwe ambulances aangekocht, vaak afkomstig uit de Verenigde Staten.

Een nieuwe ambulanceauto van het merk International Metro Chassis wordt gedemonstreerd in Scheveningen, 1949. De ambulance was ontworpen door de technische en medische afdeling van het Rode Kruis. Collectie ANP/RVD/Nationaal Archief

Na de wederopbouw brak een nieuwe fase aan voor Nederland, en ook voor de ambulancezorg. De bevolking groeide (de ‘babyboom’). Opnieuw hadden meer mensen zorg nodig. Nederlanders werden ook welvarender. Steeds meer mensen bezaten een auto, waardoor het drukker werd op de weg en het aantal verkeersdoden en -gewonden explosief steeg. Dit betekende dat er vaker een beroep werd gedaan op eerste hulp. Dat kon de ambulance zijn, maar in deze tijd kon je ook een EHBO-diploma behalen. Onder andere het Groene en het Oranje Kruis verzorgden zo’n cursus.

Ook de ambulancezorg ontwikkelde zich. Eind jaren ‘50 en begin jaren ‘60 werden reanimatietechnieken zoals mond-op-mondbeaming en hartmassage verder ontwikkeld. Toch bleef het interieur van een ambulance beperkt. Er waren doeken en dekens, een urinaal, een bedpan, een eerstehulpverbanddoos en kleine zandzakken om gebroken ledematen mee te ondersteunen. Er was ook zuurstofapparatuur om kortademigheid te verlichten aan boord, maar beademing die de longfunctie kon overnemen was er nog niet.

Hoewel een speciale opleiding nog niet bestaat, tekenen de contouren van het vak zich al af. In 1959 wordt verpleger H.J. Verschoor gevraagd om een informatief artikel te schrijven voor het Tijdschrift voor Ziekenverpleging. Daarmee kan hij zijn vakgenoten informeren over het werk van de ambulanceverpleegkundige, wat broeder Verschoor dan ook trots doet:

“De verpleger in de ambulancedienst heeft een mooie, verantwoordelijke taak, die veel concentratie vereist, vooral ook tijdens zijn zelfstandig optreden temidden van publiek. Het is een aangename en interessante werkkring.”

Een chauffeur en verpleegster van het Witte Kruis Wieringen transporteren een patiënt, jaren ’60. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Lappendeken

Er reden in de jaren zestig al aardig wat ambulances rond in Nederland, maar van een bredere organisatie was nog geen sprake. Het ziekenvervoer was op dat moment één grote lappendeken van lokale gezondheidsorganisaties, ziekenhuisdiensten, het Rode Kruis en particuliere vervoerders. Ambulances en verpleegkundigen zijn wel als zodanig herkenbaar, maar zien er overal weer anders uit. Er was ook nog geen uniform dat door alle ambulancemedewerkers gedragen werd, zoals we nu gewend zijn. Verpleegkundigen droegen hun gebruikelijke uniform of een witte jas. De chauffeurs droegen een witte jas. Bij veel GGD-en hadden verplegers en chauffeurs een net pak, vaak met pet en stropdas.

Wet- en regelgeving rondom ambulances en ambulancepersoneel was er niet, iedereen kon in principe een ambulancedienst opzetten. Wel was er bij het aannemen van ambulancepersoneel een sterke voorkeur voor verpleegkundigen met een A- en B-diploma (algemene verpleegkunde en psychiatrie). Steeds meer ambulanceverplegers, die meestal uit de militaire verpleegkunde en psychiatrie kwamen, behaalden een A-diploma. Maar een verpleegkunde-opleiding was geen vereiste, je mocht ook met slechts een EHBO-certificaat op de ambulance werken.

Meldkamers, communicatie en coördinatie

In de jaren vijftig en zestig bestond er nog geen nationaal spoednummer. Er waren lokale spoednummers, maar die verschilden per gemeente. De Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT) regelde in veel districten speciale abonneenummers voor de brandweer, politie en ambulance. Pogingen tot het centraal regelen van meldkamers mislukten. Het waren de huisartsen en ziekenhuizen die vaak de ziekenwagen belden.

Ook het contact tussen meldkamer en ambulance was bepaald geen geoliede machine. Niet overal was een post met centralisten, verplegers en chauffeurs opgezet. Er waren nog niet zoveel ritten, diensten werden geregeld vanuit huis gedraaid. Als een chauffeur niet thuis was, moest zijn vrouw maar net weten waar hij dan was.

Ambulances waren onderweg niet te bereiken, tot ongeveer halverwege de jaren ‘50. In 1949 experimenteerde een Haags taxibedrijf met het gebruik van mobilofoons, ook op hun enige ziekenauto. Dat experiment was succesvol Rotterdam was rond 1955 de eerste stad waarbij ambulances met mobilofoon rondrijden, Den Haag en Amsterdam volgden in 1956 en 1957. Ambulances waren nu ook onderweg bereikbaar.

Een ambulance brengt één van de slachtoffers van een moord in de buurt van de Amsterdamse Zeedijk naar het ziekenhuis, aangeslagen omstanders kijken toe, 1968. Collectie Anefo/Nationaal Archief

De treinramp bij Harmelen

Het gebrek aan organisatie in de ambulancezorg leverde ook problemen op. Dit kwam op een pijnlijke manier aan het licht bij de treinramp bij Harmelen op 8 januari 1962. Er vielen 93 doden en 94 gewonden. Het was een nationale ramp. Ambulances uit allerlei windstreken kwamen ter plaatse om hulp te verlenen, maar niet alle brancards bleken in alle ambulances te passen en de coördinatie verliep stroef.

De landelijke overheid stelde hierop de commissie Muntendam in, vernoemd naar de sociale Drentse arts en geneeskundig inspecteur Piet Muntendam, met als doel een advies op te stellen voor de inrichting van medische spoedhulp.

Hulpverleners bergen een van de slachtoffers van de treinramp bij Harmelen, 1962. Fotograaf L.H. Hofland/Collectie Het Utrechts Archief

Dat advies resulteerde in een wetsvoorstel: de Wet ambulancevervoer (1971). Eén van de belangrijkste bepalingen binnen die wet was het invoeren van de Centrale Post Ambulancevervoer (CPA). Die coördineerde het ziekenvervoer binnen een regio. Aan elke CPA was een arts verbonden.

Waar mogelijk werd de CPA ondergebracht bij de plaatselijke GGDs, die vaak al telefooncentrales hadden en het ambulancevervoer aanstuurden. De provinciale overheid stelde het spreidingsplan vast en bepaalde waar en hoeveel ambulances in een stad of dorp moesten komen te staan. Bij levensgevaar moest binnen 15 minuten na alarmering een ambulance ter plaatse kunnen zijn. Over de haalbaarheid van die tijdsindicatie is nog veel gediscussieerd. Wel is er sindsdien een formeel onderscheid gemaakt in de urgentie van ambulancevervoer.

In eerste instantie werd er een onderscheid gemaakt op drie niveaus:

A1-vervoer: er is sprake van levensgevaar of dit kan niet worden uitgesloten. De norm is dat de ambulance binnen 15 minuten ter plaatse is en rijdt met zwaailicht en sirene.

A2-vervoer: snelle hulp is wenselijk, maar er is geen sprake van direct levensgevaar. De norm is hier binnen 30 minuten ter plaatse en de ambulance rijdt in de regel zonder zwaailicht en sirene.

B-vervoer: dit is al het overige vervoer, waarbij geen sprake is van spoed. Soms kan het vervoer zelfs ingepland worden. Denk hierbij aan het patiëntvervoer tussen ziekenhuizen, of het ophalen of thuisbrengen van patiënten bij opname of ontslag.

Sinds 2024 is er een nog preciezer onderscheid gemaakt in de urgentie van een melding, voor zowel het ambulanceteam als de centralist:

Verbeterde urgentie-indeling (januari 2024), Ambulancezorg Nederland (AZN)

De ambulancezorg in een stroomversnelling

Na de Wet ambulancevervoer uit 1971 kwam de professionalisering van de ambulancezorg in een stroomversnelling terecht. De ontwikkeling van een landelijk noodnummer kwam deze keer wel met succes tot stand. Er werd een proef gedraaid in een aantal regio’s met het alarmnummer 0011. Bovendien was het inmiddels normaal dat iedereen een telefoon in huis had en dus zelf de ambulance kon bellen.

Dit veranderde het werk van de centralist. Bij aanvragen van artsen of politieagenten was het uitvragen van de situatie niet zo belangrijk, maar nu konden ook burgers bellen. Het werd steeds belangrijker om je in de medische situatie van de beller te verdiepen en deze te begeleiden tijdens de melding en het wachten op de ambulance.

Een medewerker van de CPA Ede, 1986. Fotograaf Gert Jan Koster/Collectie Gemeentearchief Ede.

Verpleegkundigen waren heel geschikt voor het werk op de meldkamer. Zij waren getraind in het uitvragen, kenden medisch jargon en konden prioriteiten stellen in noodsituaties. Zo werden de meldkamers ook steeds meer het terrein van de verpleegkundige. Verpleegkundigen waren daarnaast multi-inzetbaar, bijvoorbeeld voor het alarmeren van gemeenteartsen, het beantwoorden van thuisalarmen van bejaarden, of het waarschuwen van de huisarts of verloskundige buiten kantooruren.

Innovatie in de inventaris

Op de Wet ambulancevervoer volgden nog twee aanvullende wettelijke regelingen: het Eisenbesluit (1976) en het Inventarisbesluit (1978). In deze Algemene Maatregelen van Bestuur werd vastgelegd wie er bevoegd waren om op een ambulance te werken en wat een ambulance aan medische uitrusting aan boord moest hebben.

Er was nog altijd een sterke voorkeur voor verpleegkundigen met de combinatie A- en B-diploma, maar ook het EHBO-certificaat was wettelijk nog voldoende. Hiermee kwam de overheid kleine diensten op het platteland tegemoet, die vaak nog van EHBO’ers afhankelijk waren. Het besluit leidde tot protest van ambulanceverpleegkundigen en GGD’s, die de noodzaak tot een diepgaandere opleiding zagen.

Enerzijds werkten er dus nog mensen met louter een EHBO-diploma op ambulances. Anderzijds innoveerden andere lokale diensten met de nieuwste zorgtechnologie. In Utrecht en Heerlen werd geëxperimenteerd met een cardulance, een ambulance die was uitgerust met een hartmonitor en defibrillator.

Een ambulance is ter plaatse bij een aanrijding tussen een auto en een fietser, vermoedelijk Breda, 1972. Collectie Spaarnestad/Nationaal Archief

Dat experiment resulteerde in de introductie van deze apparatuur op elke ambulance, net als medicatie, en infuus- en intubatiemateriaal. Intuberen, injecteren en defibrilleren zijn handelingen die waren voorbehouden aan artsen. De ambulanceverpleegkundige kreeg hiermee dus speciale bevoegdheden.

Personeel van de snelwegambulance van het Rode Kruis, gestationeerd bij de snelweg tussen Utrecht en Den Bosch, verleent zorg aan een slachtoffer, geënsceneerd, 1973. Collectie Anefo/Nationaal Archief

Erkenning en formalisering van het specialisme

Door de ontwikkeling van de bevoegdheden en medische toepassingen hielden ambulanceverpleegkundigen zich steeds vaker bezig met het inbrengen van infusen, intuberen, en het toedienen van medicijnen via injecties. Er was behoefte aan het vastleggen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden en een gespecialiseerde opleiding.

Geen pakketpost

Ambulanceverpleegkundigen kwamen voor zichzelf en hun vak op. In de jaren ’70 en ‘80 is de ambulancedienst steeds vaker een onderwerp in Tijdschrift voor Ziekenverpleging (TvZ). In de vorm van informatieve stukken, maar ook in felle opiniestukken. J.T. Sijbrand, hoofdverpleegkundige bij de GGD Zaanstad, pleitte vurig voor het vastleggen van de vaardigheden en bevoegdheden van het ambulancepersoneel in tijden van innovatie. “Pas dan zal niemand meer twijfelen aan de kennis en kunde van de nog knappere ambulanceverpleegkundige.”

Bij een brand in de Amsterdamse Kinkerstraat worden gewonden met de ambulance afgevoerd, 1980. Collectie Anefo/Nationaal Archief

Maar het ging ook om een stukje erkenning. “Samen hebben we de zorg voor de patiënt en het idee, de jongens van de GG&GD tillen wel en daar zijn ze voor, is dan ook helemaal de plank misslaan. Een overdracht van de mogelijkheden en eventuele onmogelijkheden, beperkingen en andere zaken die voor een goede zorg van belang kunnen zijn behoort tot de taak van de verpleegkundige. Dit overdragen behoort dan ook serieus genomen te worden,” schrijft verpleegkundige Jan de Beer in 1978. “Hopenlijk heeft u met het lezen van dit artikel begrepen dat patiëntenvervoer geen pakketpost is en dat het ook niet iets is van; oppakken en wegwezen.”

Twee ambulances voor de ingang van de ongevallen- en eerstehulppost van het Utrechtse Diakonessenhuis, 1981. Fotograaf F. van den Ham.Collectie Het Utrechts Archief

De SOSA

Die speciale opleiding en protocollen kwamen er vanaf de jaren ’80 en ‘90. In eerste instantie boden ambulancediensten die intern aan. Vanaf 1984 verzorgde de Stichting Opleiding en Scholing voor Ambulancevervoer (SOSA) de opleidingen voor ambulancepersoneel. Zonder gespecialiseerde opleiding mocht je niet meer op de ambulance werken. Het eerste handboek voor ambulancehulpverlening is van de hand van de Groningse arts C.A.E. Volckmann en stamt uit 1978. Dat handboek was bedoeld voor een soort EHBO-opleiding tot ‘ambulancebegeleider’. Uiteindelijk werden er daar een paar honderd van opgeleid. Vanaf de jaren ‘90 was die opleiding niet langer voldoende en verruilden de meeste ambulancebegeleiders hun werk voor de chauffeursstoel.

De eerste ambulanceopleiding ging in 1987 van start en was parttime. Verpleegkundigen die in dienst waren konden deze opleiding volgen op kosten van hun werkgever. Naast deze opleiding was een gespecialiseerde aantekening zoals Intensive Care (IC), Spoedeisende Hulp (SEH) of Coronary Care Unit (CCU) nodig. Tegenwoordig is de vervolgopleiding tot ambulanceverpleegkundige fulltime. Hoewel het formeel niet verplicht is, is een verpleegkundige specialisatie, zoals IC, SEH of CCU, nog steeds gebruikelijk.

De ambulances van de Rode Kruis Ambulancedienst, 1987. Fotograaf Imre Lohmann/Collectie Regionaal Archief Zutphen.

Een stevige basis voor het vak

Vanaf 1990 werden vrijwel alle ambulances bemand door speciaal opgeleide verpleegkundigen. Het eerste Landelijk Protocol Ambulancehulpverlening (LPA) verscheen in 1992. Ook in de wereld van de chauffeurs veranderden de eisen. In 1994 werd de Wet ambulancevervoer uit 1971 aangepast; een begeleider op de ambulance moest verpleegkundige zijn en een speciale opleiding gevolgd hebben.

Ambulance bij de pas geopende Ambulancepost Regio Utrecht, 1994. Fotodienst GAU/Collectie Het Utrechts Archief

De bevoegdheden van het ambulancepersoneel kwamen vanaf 1993 vast te liggen in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG). Ambulanceverpleegkundigen staan daar apart geregistreerd, omdat zij speciale medische handelingen als intuberen en injecteren zelfstandig (conform protocol) mogen verrichten.

Ook kwam er in 1998 een uniform dat door alle ambulancemedewerkers gedragen werd, in het welbekende enamel-blue. Hierdoor vielen zij op als medische hulpverleners op straat, maar ook als ambulancemedewerkers ten opzichte van andere verpleegkundigen en mede-hulpverleners zoals brandweer en politie. Wat een verschil met slechts 20 jaar eerder!

Vernieuwing in de meldkamer

Intussen veranderde er ook bij de meldkamer veel. Tussen 1987 en 1990 werd het noodnummer 0611 per regio geïntroduceerd in Nederland. In 1990 was er dus in het hele land een centraal noodnummer beschikbaar. In 1997 ging 0611 over op het welbekende 112. Twee jaar later startte een speciale opleiding voor verpleegkundig centralist. Deze werd ook verzorgd door de SOSA.

De CPA ging in die tijd Meldkamer Ambulancezorg (MKA) heten omdat uitvragen, prioriteren en instructie aan melders geven steeds belangrijker werd. Zo werden mensen via de telefoon al geïnstrueerd om reanimatie te starten. In 2004 kreeg ook de meldkamer een eerste landelijk protocol, de Landelijke Standaard Meldkamer Ambulancezorg (LSMA).

De meldkamer met centralisten, 2004. Beeldbank V&VN.

Door de vorming van 25 Veiligheidsregio’s in Nederland moesten brandweer, politie en ambulancedienst overal nauwer gaan samenwerken. De ambulancedienst en meldkamer werden vervolgens ook ondergebracht bij soortgelijke overheidsorganen. Dit kreeg de naam Regionale Ambulancevoorziening (RAV). De ambulancedienst is niet van de overheid, maar is wel een publieke taak die wettelijk geregeld is. De overheid houdt daar toezicht op.

Het embleem van de ambulance wordt ook wel de Ster des Levens (Star of Life) genoemd. Je hebt dit symbool vast al vaker gezien. Het staat op ambulancevervoersmiddelen en op de uniformen van ambulancepersoneel. Het is een zespuntige, witomlijnde blauwe ster met een esculaap. Dat is een slang die om een staf heen krult. Die slang wordt ook wel geassocieerd met de Griekse halfgod Asclepius van de geneeskunst.

De zes benen van de ster staan voor de zes stappen in de medische hulpverleningsketen:

1 Herkenning
2 Alarmering
3 Eerstehulpverlening
4 Professionele hulp ter plaatse
5 Professionele hulp onderweg
6 Overdracht aan de definitieve zorg

Je mag dit symbool niet zomaar gebruiken, het is internationaal auteursrechtelijk beschermd. Alleen de ambulance mag de Ster des Levens gebruiken. De sirene, het blauwe zwaailicht, en de rood-blauwe striping op de vervoersmiddelen zijn ook beschermd, behalve de ambulance mogen alleen de politie en brandweer die gebruiken. Onterecht gebruik van deze symbolen is streng verboden.

Ambulanceauto, 2004. Beeldbank V&VN.

Nieuwe tijden, nieuwe uitdagingen

De eerste ambulancebroeders van de GGD Amsterdam moesten hun patiënten tillen met draagbaren en nog bijna zestig jaar wachten op de ontwikkeling van reanimatietechnieken. Sinds die tijd heeft de ambulancezorg zich met zevenmijlslaarzen ontwikkeld.

Ambulances zijn tegenwoordig ingericht met elektrische brancards, een monitor-defibrillator, zuurstof, beademingsapparatuur, een flink pakket aan medicatie, infuusmateriaal, verbandmiddelen en spalken.

Ze worden bemenst door gespecialiseerde verpleegkundigen of medische hulpverleners (een HBO-opleiding). Voor de hulpverlening kunnen ze worden ondersteund door rapid responders (solo rijdende ambulanceverpleegkundigen), verpleegkundig specialisten en physician assistents (PA’s).

Ambulancemotor, 2004. Beeldbank V&VN.

Ook kan het ambulanceteam een beroep doen op een van de vier Mobiel Medische Teams (MMT) die met een helikopter of een snelle auto ter plaatse kunnen komen. Hierop zitten een gespecialiseerde arts en verpleegkundige (en natuurlijk een chauffeur of piloot). Zij hebben nog meer mogelijkheden zoals het maken van een echo, geven van een bloedtransfusie, iemand in slaap brengen en intuberen, en de borstkas openen om het hart met de hand te activeren.

“Ik ben Martijn Louwes. Sinds 2016 werk ik als ambulancechauffeur bij Ambulance Amsterdam in de regio Zaanstreek-Waterland.

Momenteel werk ik voornamelijk als ambulancechauffeur bij Ambulance Amsterdam in de regio Zaanstreek-Waterland. Een prachtige organisatie in een zeer uiteenlopende regio: van de overvolle Johan Cruijff Arena tot aan de stilte van het veenweidegebied rond de polder Westzaan. Daarnaast ben ik praktijkopleider. In die rol ben ik samen met praktijkbegeleiders betrokken bij het opleiden en begeleiden van nieuwe collega’s.

Het is bijzonder om samen met de ambulanceverpleegkundige of medisch hulpverlener op elk moment van de dag mensen te ontmoeten en telkens weer een nieuwe situatie binnen te stappen, zonder vooraf te weten wat je aantreft. Een cruiseschip, een snelweg, een kerk of een bordeel: elke locatie heeft zijn eigen kenmerken en dynamiek, die van invloed kunnen zijn op de zorgverlening. Juist die onvoorspelbaarheid prikkelt mijn creativiteit en vakmanschap. Bij vrijwel alle mensen worden we dankbaar ontvangen, wat het werk extra betekenis geeft.

Het ambulanceteam is vakkundig opgeleid om ter plaatse medische zorg te verlenen, de situatie te beoordelen en te bepalen of vervoer naar het ziekenhuis nodig is. Die verantwoordelijkheid, in vaak kwetsbare en spannende momenten, maakt het werk soms intens, maar ook zo bijzonder.”

Ambulancechauffeur Martijn Louwes in uniform in de Johan Cruijff Arena. Privécollectie Martijn Louwes.

Ambulancemedewerkers in het ziekenhuis, 2022. Beeldbank V&VN

Nieuwe uitdagingen

Tegelijkertijd loopt de ambulancezorg nog altijd tegen oude en nieuwe uitdagingen aan. Agressie tegen het personeel is een grote bron van zorg. Medewerkers worden soms uitgescholden of zelfs fysiek aangevallen tijdens hun werk. Vaak betreft dit mensen met mentale problemen of onder invloed van drugs, maar soms ook omstanders of naasten die in paniek zijn of het oneens zijn met de keuzes van het personeel. Het grootste deel van de ambulancemedewerkers heeft dit weleens meegemaakt.

En een ambulanceverpleegkundige kan steeds meer, maar moet daardoor ook steeds ingewikkeldere afwegingen maken. Ga ik uitgebreid handelen en stabiliseren? Of is het beter om zo snel mogelijk naar het ziekenhuis rijden, en gaat dat ook met het verkeer? Tegenwoordig komen ambulances ook vaak in ingewikkelde sociale situaties omdat steeds meer oudere mensen thuis wonen of psychiatrische patiënten meer in de wijken verblijven. Daardoor moet het ambulanceteam ook afstemmen met andere zorgverleners, zoals bijvoorbeeld de huisarts, thuiszorg, mantelzorgers en GGZ-organisaties.

Kortom, het vak is nog altijd volop in ontwikkeling, maar heeft een rijke geschiedenis om op te steunen.

Ambulances, 2022. Beeldbank V&VN

Zelf op onderzoek uit?

Korpora beheert en ontsluit het erfgoed van publieke veiligheid.

Bij het Nederlands Ambulance Archief vind je een gedigitaliseerd archief van gemotoriseerde ambulancevoertuigen.

In Ambulance – De Podcast bespreekt Ivo van Asperen de vele aspecten van de ambulancezorg, toen en nu, met verschillende gasten.

Met speciale dank aan Thijs Gras, historicus en ambulanceverpleegkundige, voor zijn inhoudelijke en redactionele bijdragen aan deze tentoonstelling.

Ambulancezorg Nederland, ‘Nieuwe ambulancekleding’, hier te vinden.

‘Beide beenen afgereden’, Limburgsch dagblad, 17 juli 1930, via Delpher.nl.

Cartoon, Nieuwe Haarlemsche Courant, 17 oktober 1935, via Delpher.nl.

De Beer, Jan, ‘Ambulancevervoer: een veredelde vorm van pakketpost?’, TvZ 31:18 (1978), p. 830-837.

‘Een fraaie aanwinst voor Tilburg’s Geneeskundigen Dienst’, Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 mei 1940, via Delpher.nl.

Gras, Thijs. Ambulancezorg in Nederland. Van melding tot overdracht, 2006.

Gras, Thijs. ‘De Meldkamer Ambulancezorg in historisch perspectief’, Vakblad V&VN Ambulancezorg 42:3 (2021), p.28-34

Gras, Thijs, ‘Verplegers op weg. De rol van verplegers binnen de ambulancehulpverlening’, p. 49-62, uit: Helpen en niet schaden. Uit de geschiedenis van de verpleegkunde en medische zorg, red. Cecile aan de Stegge en Cornelis van Tilburg, 2013.

‘Het vliegtuigongeval op Schiphol’, Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 juni 1939, via Delpher.nl.

‘Kind verbrand door kokend water’, Zaans volksblad, 21 september 1939, via Delpher.nl.

‘Lastig transport’, Het nieuws van den dag: kleine courant, 7 september 1910, via Delpher.nl.

Lichtveld, R.A., T. Gras en Chr. van der Werken, ‘Geschiedenis van de ambulancezorg’, p. 27-56, uit: proefschrift Prehospitale zorg aan polytraumapatiënten in Nederland door R.A. Lichtveld, 2007.

Schagen, Lisa, ‘Innovaties binnen de Ambulancezorg’, 2021, hier te vinden.

Sijbrand, J.T., ‘De samenwerking in stress-situaties tussen chauffeur en verpleegkundige’, TvZ 29:12 (1976), p. 559-564.

Sijbrand, J.T., ‘Hoe knap is de ambulanceverpleegkundige, en wordt hij nog knapper?’, TvZ, 36:3 (1983), p. 74-77.

Verschoor, H.J., ‘De verpleger in de ambulancedienst’, TvZ 12:21 (1959), p. 515-519.

V&VN Ambulancezorg en Ambulancezorg Nederland, ‘Ongewenst gedrag of agressie accepteren wij niet’, 2024/2025, hier te vinden.

Waldeck, K.J.J., Ambulances in beeld (1945-1975). Van ziekenwagen tot ambulance, 2000.

Waldeck, Hans en Thijs Gras. ‘Tegen wil en dank. Het gebruik van ziekenauto’s door het Nederlandse Rode Kruis tot en met de Eerste Wereldoorlog’ in: Veilig. Jaarboek Korpora (Amsterdam, 2025), p. 148-167.