Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN

Aagje Neeltje Monster kwam in 1895 in IJsselmonde ter wereld in een protestants gezin. Ze verliet op 19-jarige leeftijd haar geboortegrond om als dienstbode aan de slag te gaan in Molenaarsgraaf, maar koos enkele jaren later voor een carrière als verpleegster. Ze kreeg haar diploma en eerste baan in het Coolsingelziekenhuis in Rotterdam, waar ze de Tweede Wereldoorlog meemaakte.

Aagje Monster groeide uit tot een ervaren verpleegster met een brede interesse in kunst, literatuur en vreemde talen en religies. Ze bezocht graag musea en veilingen, verzamelde catalogi en las boeken over spiritualiteit. Daarnaast speelde ze piano en sprak ze Frans, Duits en Engels. Aagjes verhaal is dat van een zelfstandige, zorgzame en mateloos nieuwsgierige vrouw, die een bestaan buiten de gebaande paden opbouwde.

Portret van Aagje Neeltje Monster als jonge diacones in opleiding. Ze draagt een donkere jas en hoofdbedekking
Aagje Monster als diacones, ca. 1918. Fotograaf Johannes Martinus Michel Bach/Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Verpleegster met de witte strik

Aagje volgde de opleiding tot verpleegster in eerste instantie in het Diaconessenhuis aan de Westersingel in Rotterdam. In 1917 begon zij als leerling, op 22-jarige leeftijd. Diaconessen waren protestantse verpleegsters, die vanuit hun christelijke levensovertuiging zorg verleenden. Van hen werd ook verwacht dat ze ongehuwd waren. Als Diacones werd van Aagje verwacht dat ze een uitgebreid uniform aan zou schaffen.

Diaconessen lijken in hun uniformen soms wat op nonnen, maar waren dat niet. Ze hoefden ook geen geloften af te leggen. Diaconessen zijn van nonnen en andere verpleegsters te onderscheiden door de kenmerkende witte strik onder de kin.

Aagje Neeltje Monster als jonge diacones op het strand. De vrouwen dragen de donkere uniformen met cape en een witte strik onder de kin.
Drie zusters van een jong patiëntje, het meisje lacht breed naar de camera. Aagje staat aan het hoofdeinde van haar bed/stoel.

Het Coolsingelziekenhuis

In 1922 maakte ze de overstap naar het Coolsingelziekenhuis in Rotterdam, waar ze een interne opleiding tot verpleegster volgde. Aagje ontving jaarlijks 1271,92 gulden voor haar werk als leerling-verpleegster, waar 500 gulden “wegens het genot van kost, inwoning, bewassching en geneeskundige hulp” van werden afgetrokken. Zo hield ze ongeveer 65 gulden per maand over voor zichzelf. Dat staat gelijk aan €615 nu.

Op 1 december 1924 kwam Aagje in vaste dienst als gediplomeerd verpleegster, nog altijd bij het Coolsingelziekenhuis. Daartoe had ze 54 verpleegkundige handelingen moeten verrichten, 4 operaties moeten bijwonen en 22 patiënten met verschillende ziekten en verwondingen moeten verplegen. Ze ontving als gediplomeerd verpleegster ongeveer 90 gulden per maand. Dat zou vandaag €850 zijn.

Fotoportret van Aagje als jonge verpleegster, wellicht leerling, met wit kapje, witte strik en wit schort.

Twee vrouwen die de kost verdienen

Bij haar indiensttreding als leerling-verpleegster in het Coolsingelziekenhuis ontmoette Aagje Maria (Mies) Koeleman uit Delft, die toen al ruim een jaar in het ziekenhuis werkzaam was. Het was het begin van een innige band die de rest van hun leven zou voortduren. In de herfst van 1930 gaan ze samenwonen in de Van Oldenbarneveltstraat in Rotterdam. Aagje en Mies waren toen dertigers en beiden werkzaam als verpleegster. In hun vrije tijd hadden ze tijd voor hun hobby’s en elkaar. Geen mannen als hoofd van het gezin en geen kinderen, maar een huishouden van twee vrouwen die de kost verdienden, en geen familie waren van elkaar. Een relatief ongebruikelijk bestaan in die tijd, maar een goed bestaan.

De van Oldenbarneveltstraat voor mei 1940, met links een stuk van het Coolsingelziekenhuis. Collectie Stadsarchief Rotterdam

Het bombardement op Rotterdam

Dat vredige bestaan werd ruw onderbroken door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Aagje doet in haar dagboek zorgvuldig verslag van de Duitse inval op 10 mei 1940. Terwijl de luchtgevechten boven Rotterdam uitbraken, groeide de angst voor oorlogsgeweld onder de stedelingen. Maar er was ook daadkracht. Aagje en Mies, die zij in haar dagboeken liefkozend Koely noemt, waren die beruchte dag vrij, maar haastten zich toch naar het Coolsingelziekenhuis. Daar was het personeel druk bezig om patiënten naar huis te brengen en bedden vrij te maken voor gewonden, die naar verwachting snel zouden vallen. In de daaropvolgende dagen beschreef Aagje haar medelijden met de ernstig gewonde soldaten, haar medeburgers, en zelfs de angstige stadsduiven. Ook maakte ze zich grote zorgen om haar familie in de omgeving van Rotterdam en de komst van meer geweld. Op 14 mei 1940 werd die angst werkelijkheid.

Aagje en Mies waren aan het werk in het Coolsingelziekenhuis toen het bombardement op Rotterdam losbarstte:

“[de zware duitsche bommenwerpers] gierden boven ons, schoten neer op de huizen, donderend ontploften de helsche bommen, ‘t Ziekenhuis schudde als een houten huis waarvan de wanden bewogen. Wèg ging ’t ééne vliegtuig, neer schoot een volgend, ze gierden over ons heen, de monsters.”

De Van Oldenbarneveltstraat in Rotterdam is leeg en ligt grotendeels in puin. Slechts enkele gehavende gebouwen staan overeind.

De Van Oldenbarneveltstraat na het bombardement op Rotterdam. Collectie Stadsarchief Rotterdam

“De groote ramen zijn tot gruis verbrijzeld, in één minuut, deuren vliegen los, stukken hout vallen neer, ’t puin en stof vliegt ons om ’t hoofd. Maar onze zaal stort niet in, we worden niet bedolven, o, wonder, geen vlammen, we kunnen ons bewegen. Het is bijna als een opluchting, we wachten niet meer, we hollen naar de patiënten. Naar buiten! Uit het huis! De vlammen laaien aan de overzijde hoog op! De bom is gevallen op zaal 28 die ’s avonds leeg was. Weg uit het brandende huis. Op meerder plaatsen is het getroffen. Iedereen helpt mee de patiënten naar buiten dragen. Er is niemand die niet helpt met een mensch te redden. De Roode Kruis soldaten, de meisjes, knechten, zusters, dokters, iedereen jaagt om ’t huis leeg te dragen. Het zal nauwelijks een half uur geduurd hebben, toen waren alle patiënten buiten.”

Aagje Neeltje Monster in haar dagboek over het bombardement op het Coolsingelziekenhuis op 14 mei 1943

Kort hierop kwamen volgens Aagje talloze stadsgenoten om patiënten en gewonden te evacueren. Terwijl het krioelde van de mensen bij de achterpoort, zocht Aagje in de consternatie naar een teken van haar Koely in de mensenmassa. Gelukkig overleefden ook Mies en hun kat Reintje het bombardement, maar hun huis en bezittingen werden compleet verwoest. Ook van Rotterdam was na het bombardement nog maar weinig over.

 “Op 14 Mei 1940 is onze stad gebombardeerd! De stad, de echte oude stad is niet meer. Ons mooi, lief dierbaar huis is niet meer.”

Het verlies van haar huis en stad raakte Aagje diep: “We hadden een paar koffers gepakt, namen nog een en ander mee, pakten Reintje en zetten hem in een hoedendoos, binden er riemen in en zoo verlieten wij ons huis; we keken nog even rond, en gingen weg. Niemand, wij tenminste niet, vermoedden, dat wij ons huisje niet meer binnen zouden komen, dat wij alles voor ’t laatst zagen: ons lief goed huis, waar alles was wat ons gelukkig maakte als we moe van ’t Ziekenhuis kwamen.”

Op de vroege ochtend van 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen, vlak voor zonsopkomst. Hoewel het Nederlandse leger terugvocht, werd het al snel onder de voet gelopen door het modernere, beter voorbereide Duitse leger. Toch gaf het Nederlandse leger zich niet over en bleef het verzet leveren. Het Duitse leger stelde daarop een ultimatum: overgave, of vernietiging. Rotterdam werd op 14 mei gebombardeerd. Bij dat bombardement en de dagenlange branden die erop volgden, werd de hele oude binnenstad verwoest. Er vielen meer dan 700 doden, 24.000 huizen werden verwoest en 80.000 Rotterdammers raakten dakloos. Ook waren er talloze gewonden. Het leed was enorm. Toen het Duitse leger dreigde ook Utrecht en andere grote steden te verwoesten, gaf het Nederlandse leger zich over. Nederland capituleerde. De bezetting was begonnen.

Reintje op schoot bij Mies Koeleman. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Verpleging en verzet in oorlogstijd

Na de verwoesting van Coolsingelziekenhuis kwam Aagje te werken in verschillende noodhospitalen in de stad. Onder andere in het Rooms-Katholieke Lyceum voor meisjes, op hospitaalschepen in de Zalmhaven en in de Boezembarakken in Crooswijk. Aagje en Mies verbleven na het verlies van hun huis eerst bij kennissen en collega’s, maar in 1941 betrokken ze weer een eigen woning, ditmaal aan de Schiedamsesingel.

In die woning namen ze twee joodse onderduikers in huis. Dat waren de zussen Sientje Cohen (54 jaar) en Gretha Cohen (52 jaar), beiden ongetrouwd. Gretha was apotheker, Sientje assistent-scheikundige. Beide vrouwen bleven onontdekt, zelfs door Aagjes familie, en verbleven tot de Bevrijding in het huis aan de Schiedamsesingel. Na de oorlog hielden de vrouwen contact. Aagje en Sientje ondernamen in 1960 nog een kunstreis naar Italië, Gretha is dan al overleden. Het was de tweede, en laatste keer, dat Aagje Neeltje Monster in het buitenland verbleef.

 

Reis naar Denemarken

Aagjes eerste buitenlandse reis was dan ook een bijzondere. In november en december van 1945 verbleven Aagje en Mies in Denemarken om op adem te komen van de jarenlange oorlog. Die reis kwam vermoedelijk tot stand uit een initiatief van de Deense organisatie Hollands Hjælpen, in samenwerking met The Danish Council of Nurses. Aagje noteerde in haar dagboek dat zij en Mies onderdeel uitmaakten van een groep van 40 verpleegsters, 100 huisvrouwen en 500 kinderen. Het gezelschap vertrok in 65 autobussen naar Denemarken vanaf de Croeselaan in Utrecht, naar instructie met twee broodmaaltijden op zak. Eenmaal in Denemarken zou er verder gereisd worden per trein. Wederom doet Aagje nauwkeurig verslag van hun belevingen en de dagenlange reis. Zo verbaasde ze zich over het rookgedrag van Deense vrouwen, die in het openbaar sigaren roken. Dat deden Nederlandse vrouwen blijkbaar niet.

Instructie voor het vertrek naar Denemarken, 1945. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Volop genieten

Aagje verbleef in Aalborg bij de familie Richter Mikkelsen, met wie ze een warme band opbouwde. Mies belandde in het Kommunaal Hospital van Aalborg, maar werd vaak uitgenodigd door Aagjes gastgezin. De Hollanders werden in Denemarken gastvrij ontvangen. De Denen deden hun best om de verpleegsters na de oorlog van plezier en luxe te voorzien. Het moet een verademing zijn geweest om na de magere oorlogsjaren weer plezier te maken. Het genieten spat van de pagina’s in Aagjes dagboek af. Ze schrijft voluit over uitstapjes, lekker eten en drinken, goede gesprekken en bezoeken aan Deense collega-verpleegsters. Er viel ook allerlei nieuws te proeven, zoals ‘snaps’, ‘een Deensche drank, lekker maar een beetje sterk’. Ook werd er veel gezongen. Uiteraard het Wilhelmus in de bus, maar ook een aantal vooraf ingestudeerde Deense volksliederen. Het afscheid viel Aagje na twee maanden dan ook zwaar. Met de familie Richter Mikkelsen hield ze na haar terugkeer naar Nederland briefcontact.

In 1950, vijf jaar na de oorlog en de Deense reis, zette Aagje een punt achter haar verpleegcarrière en ging ze met vervroegd pensioen.

Levensgezellen

Na hun pensioen in 1952 verhuisden Aagje en Mies naar Ulvenhout, waar ze een woning lieten bouwen. In 1964 verhuisden ze samen naar woonzorgcentrum Huize Ruitersbosch in Breda. Daar woonde Aagje tot haar overlijden in 1976, op 81-jarige leeftijd. Haar Koely moest het toen nog acht jaar zonder haar levensgezel stellen, voor ook zij op 89-jarige leeftijd in Breda kwam te overlijden.

Aagje en Mies hadden duidelijk een hele hechte band. We weten niet hoe deze vrouwen die band zelf noemden, maar weten we op basis van Aagjes dagboeken en officiële documenten dat Aagje en Mies bijna hun hele leven samenwoonden, een huisdier hadden, een huis bezaten en samen hun testamenten opmaakten. Zij waren, in de woorden van haar achterneef Kees Verhoeven, levensgezellen.

Hun samenleven past in een breder patroon. Tot 1956 werden vrouwen die in loondienst trouwden ontslagen volgens de Wet handelingsonbekwaamheid. Hoewel deze wet daarna werd afgeschaft, bleef het tot in de jaren tachtig ongebruikelijk dat vrouwen hun loopbaan voortzetten na een huwelijk. Verpleegsters in de leidinggevende functies kozen er vaak voor om ongetrouwd te blijven en een carrière in de zorg op te bouwen. Een aanzienlijk aantal woonde samen met een andere vrouw, zoals Aagje en Mies deden.

Portret van Aagje Neeltje Monster. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Aagje en Mies in de tuin van hun woning in Ulvenhout. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Deze bijdrage is gebaseerd op het onderzoek van Cornelis Jan Verhoeven, achterneef van Aagje Neeltje Monster, getiteld: Aagje Neeltje Monster, verpleegkundige te Rotterdam. IJsselmonde 1895 – Breda 1976 (2024).