Dag Prinsengracht!
In 1857 beleefde de verpleging in Amsterdam een hoogtepunt. Op de Prinsengracht 769 gingen de deuren open van een imposant ziekenhuis. Het deftige gebouw was bedoeld voor de opleiding en huisvesting van de pleegzusters. De kleinschaligheid van het Prinsengrachtziekenhuis was een kracht, en tegelijk een zwakte. In 2014 sloot het Prinsengrachtziekenhuis definitief zijn deuren. Een blik op gevel van het grachtenpand verraad de rijke geschiedenis die er achter schuilt.
Pleegzusters
Om de ziekenzorg in de thuissituatie te verbeteren, richtten Amsterdamse artsen, weldoeners en predikanten in 1843 de ‘Vereeniging voor Ziekenverpleging’ op. Een wereldwijd uniek initiatief. Een van de initiatiefnemers was de arts Jan Pieter Heije, die ook het lied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ schreef. Het doel van de Vereeniging was vrouwen op te leiden tot zogenoemde pleegzusters. Het vooruitstrevende aan dit initiatief was dat het hier ging om lekenverpleegsters, niet om religieuze zusters. De sollicitanten moesten van onbesproken gedrag zijn, ongehuwd en geen zorg voor kinderen hebben. De pleegzusters verpleegden aan huis en hielpen de arts met aderlaten en purgeren (het bevorderen van de ontlasting).
Grachtenzusters
De verpleegstersopleiding aan de Prinsengracht stond na 1880 bekend als een eliteopleiding. Uitsluitend dames van beschaafde afkomst met kennis van talen konden er beginnen. De verpleegsters waren drieënhalf jaar leerling. In een zogeheten handgrepenboekje hielden ze hun voortgang bij. Voor de moeilijke medische termen was er een zakwoordenboekje in omloop. Tot 1921 had elk ziekenhuis zijn eigen opleiding, daarna ontstond onder invloed van de overheid meer eenheid. De ‘Wet tot wettelijke bescherming van het diploma voor ziekenverpleging’ beschermde het diploma van verplegenden. Alleen bij behalen van het A (algemene ziekenverpleging) of B (krankzinnigenverpleging) mocht iemand zich uitgeven voor verpleegster en verpleger. Na het eindexamen kreeg de afgestudeerde een diploma en een door de overheid erkend insigne. Met het nummer van dit insigne werd je ingeschreven in een voorloper van het BIG-register.
Het insigne
Vanaf 1910 kregen leerling-verpleegsters tijdens hun opleiding een huisspeld van het ziekenhuis waar ze werden opgeleid. Elke instelling ontwierp zijn eigen insigne, soms voor elk opleidingsjaar in een andere kleur. Het Prinsengrachtziekenhuis had ook een eigen huisspeld, nog steeds het trotse bezit van veel oud-verpleegkundigen. Bij hun diplomering kregen verpleegsters het wettelijke overheidsinsigne, maar ze mochten hun leerlingenspeld houden. Verplegers of broeders kregen hetzelfde insigne als zusters, maar wel een formaatje kleiner. Anders dan voor vrouwen was er voor mannen geen standaard uniform. Zij droegen in plaats daarvan vaak een witte jas. Het kleinere insigne kon bij wijze van knoop op de jas gedragen worden.
Sfeer vond ik belangrijk. Elk jaar meerde Sinterklaas met een bootje af en bezocht alle patiënten, er was een kerstborrel voor het personeel en twee keer per jaar hadden we een speciale cabaretvoorstelling.
Feesten
Verpleegsters die in het Prinsengrachtziekenhuis werkten, hielden niet alleen van hun werk, maar ook van het ziekenhuis, hún ziekenhuis! Er werd vooral veel gefeest: elke feestdag en elk examen werd gevierd, met cabaret.
Ze hielden van het ziekenhuis, hún ziekenhuis!
Het verpleegstersuniform veranderde in de loop der jaren. Elk ziekenhuis had zijn eigen model. In 1890 droegen verpleegsters een lange zwarte sluier, daarna ging men over op wit katoen. De zusters van het Prinsengrachtziekenhuis kon je herkennen aan hun ronde witte muts. In de jaren 1970 kwamen de papieren wegwerpkapjes op. Nu dragen verpleegkundigen geen kapjes meer.
De kapjes zijn ook te zien op twee poppen in historisch uniform, gemaakt door verpleegsters uit het Prinsengrachtziekenhuis.


Spraakmakende directrices
'Uitmuntend geschikt'
Het Prinsengrachtziekenhuis kent een aantal spraakmakende directrices. Een van de eerste vrouwen die in 1843 bij de ‘Vereeniging voor Ziekenverpleging’ solliciteerde, was de weduwe Koelman. Volgens bestuurslid Schneevoogt was zij ‘knap, bescheiden, fatsoenlijk en uitmuntend geschikt’. Haar enige kind kon wel worden uitbesteed, aldus de arts. Zuster Koelman werd aangenomen en schopte het tot directrice. Net als zuster Wernink, die van 1899-1914 aan het hoofd van het Amsterdamse ziekenhuis stond.
Directrice Wernink met 'haar' pleegzusters, ca. 1900. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.
Directrice Stenvers
Wie ook jarenlang een stempel heeft gedrukt op de leiding van het Prinsengrachtziekenhuis is directrice Stenvers. Van 1947 tot 1959 stond zuster Mariana Stenvers, in de wandelgangen ‘Ma’ genoemd, aan het hoofd. Zelf opgeleid in het hoofdstedelijke ziekenhuis in 1914 kende ze als geen ander de gebruiken en gewoontes aan de Prinsengracht. De zusters waren dol op haar en dertien van hen maakten een prachtig plakboek, een ode aan hun directrice.



Directrice Meyer
In de tweede helft van de twintigste eeuw komt het Prinsengrachtziekenhuis steeds vaker in de knel. Door de ligging in hartje stad en de kleinschaligheid wordt het ziekenhuis te duur. Met pijn in het hart moeten verpleegsters en directie afscheid nemen van hun geliefde ziekenhuis. De laatste directrice was verpleegkundige Christine Paauwe-Meijer.
Christine Paauwe-Meijer werd in 2021 geïnterviewd voor het V&VN magazine. Hierin sprak zij zich uit voor meer zeggenschap voor verpleegkundigen in ziekenhuisbesturen.
Lees het interview hier“De mensen op de werkvloer, die moeten het bepalen.”
Christine Paauwe-Meijer, 2021. Bron: V&VN. Copyright Frank Ruiter.
Kraamverpleging
Rond 1900 ontstond het beroep kraamverpleegster. Wie kraamverpleegster wilde worden, moest eerst het diploma ‘Algemene Ziekenverpleging’ halen. Daarna volgde de specialisatie in de kraamverpleging, meestal op de kraamafdeling van een ziekenhuis en onder leiding van de arts. Na negen maanden opleiding kregen verpleegsters op hun A-insigne het zilveren ooievaartje. Een kraamverpleegster had een andere taak dan de kraamverzorgster, die hielp bij de ongecompliceerde bevalling thuis. Kraamverpleegsters assisteerden bij de bevalling en het kraambed in het ziekenhuis, omdat men daarbij problemen verwachtte. Lange tijd was het in rooms-katholieke ziekenhuizen voor religieuze verpleegsters verboden om op de kraamafdeling te werken. Het werken met jonge moeders en pasgeboren baby’s zou het geloof van de nonnen en het verlangen naar het moederschap te veel op de proef stellen. Dit was een reden om in katholieke ziekenhuizen na 1930 gediplomeerde lekenverpleegsters in dienst te nemen.
Maria Stenvers, kraamverpleegster
Na het behalen van haar diploma ‘Ziekenverpleging’ wilde Mariana Stenvers heel graag haar ‘Ooievaartje’ halen, oftewel de specialisatie kraamvrouwverpleging volgen. Dat kon niet in het Prinsengrachtziekenhuis en dus deed ze de opleiding in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis. In 1920 haalde ze haar diploma en kon ze zich kraamverpleegster noemen. De kraamafdeling van het Prinsengrachtziekenhuis was klein, maar stond bekend als heel gezellig. Het was lange tijd een begrip als het ging om bevallen. Menige BN’er is hier ter wereld gekomen, met een deskundige kraamverpleegster aan het bed.


- Boer, H.W.J. de, Prinsengracht Ziekenhuis 25 juli 1843 – 25 juli 1983 (Amsterdam, 1983).
- Boer, Herman W.J. de en Pley, Gerard, Grachtenzusters (Amsterdam, 1993).
- Hingh, Anna de, Hurk, Titus van der en Koelewijn, Jannetje, 769 – Gezichten van het Prinsengrachtziekenhuis (Amsterdam, 2008).