Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN
Inleiding

Denk je aan de wijkverpleging, dan denk je aan de stoere, zelfstandige wijkverpleegkundige die in alle weersomstandigheden patiënten bezoekt. Deze tentoonstelling laat de diversiteit van het beroep zien en benadrukt de zichtbaarheid van verpleegkundigen. Met penningen, prijzen en liederen maakten verpleegkundigen zichzelf herkenbaar en vormden zo hun eigen imago. Ze vierden successen met congressen, tentoonstellingen en voorlichtingsmateriaal. Ze financierden zichzelf met de opbrengsten van fancy fairs, de verkoop van lidmaatschappen en materiaal. Zo is het onafhankelijke imago van de wijkverpleging al in de afgelopen eeuw gevormd: de wijkverpleegkundige spreekt tot de verbeelding!

Het ontstaan van de wijkverpleging

In 1873 werd de Wet op Besmettelijke Ziekten ingesteld om ziekte-uitbraken te voorkomen. In 1875 bleek dat de wet niet goed werkte en dat basisvoorwaarden voor het voorkomen van ziekte, zoals goede huisvesting met hygiënische omstandigheden (riool en ventilatie) ontbraken. In Noord-Holland richtte inspecteur infectieziekten, de heer Penn, het Witte Kruis op om de gezondheid in steden en wijken te verbeteren. Hiervoor werden huisbezoeksters aangesteld, de eerste voorlopers van de allround wijkverpleegkundigen.

Deze eerste vereniging voor de bestrijding van besmettelijke ziekten was het Witte Kruis. Vanwege de naam werd het ook kruisvereniging genoemd. Wit was gekozen als tegenhanger van het inmiddels bekende Rode Kruis, dat stond voor oorlogsgeneeskunde. Het symbool van een kruis was zo sterk dat ook de latere kruisverenigingen dit overnamen. De kleur verwees naar de achtergrond van de leden. Zo ontstonden na het neutrale Witte Kruis en het Groene Kruis, het Wit-Gele Kruis (katholiek) en het Oranje-Groene Kruis (protestants).

Deze zeldzame penning werd op 30 oktober 1927 aangeboden door de Vereeniging Het Groene Kruis te Harlingen aan mej. Aafke Gesina van Hulst.

De kruisverenigingen financierden zich vooral door donaties, aangezien er nog niet veel wijkverpleegsters lid waren. Elke kruisvereniging deed daarom haar best om de wijkverpleging te promoten. Met succes: overal in het land werden nieuwe, lokale afdelingen opgericht.

Wijkverpleging als ‘vrouwenarbeid’

In 1898 organiseerde de opkomende vrouwenbeweging in Nederland de Nationale Tentoonstelling Vrouwenarbeid. Het doel was om aandacht te vragen voor de situatie van vrouwen tijdens het kroningsjaar van Wilhelmina. Dit deed men door verschillende beroepen uit te lichten, zo kreeg de afdeling Zieken- en Wijkverpleging een eigen tentoonstellingsruimte. De krant ‘Vrouwenarbeid’, die drie keer per week verscheen, besprak regelmatig het thema Zieken- en Wijkverpleging. Het gelijknamige congres (of ‘De Bespreekingen’) in september kreeg veel aandacht. Sprekers benadrukten het belang van voldoende personeel, goed opgeleide medewerkers en een passende beloning. Specifiek werd gezegd dat wijkverpleging van belang is voor arbeiders en minder vermogenden, omdat zij door hun financiële situatie minder toegang hebben tot ziekenhuizen. Bovenal weten wijkverpleegsters vaak erger te voorkomen door hun goede zorg.

De pop van Zuster Stieltjes

Voor de aankleding van de tentoonstellingsruimte verzocht de afdeling Zieken- en Wijkverpleging haar achterban om materiaal in te zenden. Wijkverpleegster Antje Stieltjes uit Deventer gaf er gehoor aan door een verpleegstertas en een pop in te zenden. Deze pop was het model waarmee ze haar uitvinding, het werkmansverband, demonstreerde. De pop van Zuster Stieltjes werd een voorbeeld van innovatie.

Meer lezen
De pop van zuster stieltjes. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Financiering

Aan het begin van de 20e eeuw was de financiering voor wijkverpleging nog niet wettelijk geregeld. Daarom waren de verschillende kruisverenigingen (Groene – neutraal, Wit-Gele – katholiek, Oranje-Groen – protestants) sinds hun oprichting volledig afhankelijk van lidmaatschappen en donaties. Een positieve beeldvorming was daarom heel erg belangrijk. Hiervoor organiseerden kruisverenigingen onder andere fancy fairs.

Een voorbeeld hiervan is de fancy fair van 1903 in Rotterdam. De wijkverpleging daar kampte met grote tekorten en een groeiende zorgvraag. In dat jaar legden de wijkverpleegkundigen in Rotterdam 25.831 huisbezoeken af. De lokale Vereeniging voor Wijkverpleging besloot een inzamelingsactie te organiseren omdat de begroting onder druk stond. Deze actie werd groots aangepakt en kreeg aandacht in verschillende kranten in de regio en daarbuiten.

De fancy fair had een tentoonstellingsruimte met als thema Japan: het moest een marktplein in Tokio voorstellen en had zelfs elektrische verlichting. Er was ook een grote loterij met 1600 prijzen. De opbrengst was fl 38.300,-, wat nu ruim €500.000,- waard zou zijn!

Fancy Fair in Rotterdam, 1903. Bron: Stadsarchief Rotterdam.

Tentoonstellingen om zichtbaar te zijn

In 1910 vierde het Groene Kruis zijn 10-jarig bestaan. Om dit jubileum te vieren en zichtbaar te zijn voor nieuwe leden en donateurs, organiseerde het Groene Kruis een jubileumtentoonstelling en congres. Deze vonden plaats in Utrecht, in de tuin en gebouwen van Park Tivoli.

Het is opvallend dat de ansichtkaart en de EHBO-opstelling alleen mannelijke poppen laten zien, terwijl de wijkverpleegster de zorgtaken voor haar rekening neemt. Is het bezoek van de wijkverpleegster voor het eerst hier getoond?

Jubileumtentoonstelling Groene Kruis, 1910. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Kruiswerk als merk

Kruisverenigingen waren particuliere verenigingen en daarmee afhankelijk van de hoeveelheid leden, donaties of andere vormen van financiering, zoals fancy fairs, bazaars en loterijen, om de broek op te kunnen houden. Om het publiek continu geïnteresseerd te houden voor het kruiswerk, deed men aan marketing. Leuke voorbeelden hiervan zijn de verschillende kruiswerkfilms zoals ’Zonnelied’ uit 1939 van het Wit-Gele Kruis, de kruisverkoopsters in 1935 van het Groene Kruis of simpelweg het serviesgoed dat in ieder wijkgebouw werd gebruikt.

Naast de dokter

De wijkverpleegkundige werd gezien als de rechterhand van de dokter, maar ook als iemand die nood kan verlichten voor mensen met niet genoeg geld. Voor vrouwen die als wijkverpleegkundigen wilden werken, bood het de mogelijkheid om een beroep uit te oefenen voordat ze trouwden. Dit beroep werd vooral gezien als nobel (charitas) omdat je je inzette voor de samenleving.

De opleiding werd in eerste instantie verzorgd door de kruisvereniging(en) zelf, en vanaf 1924 kon de wijkverpleegster de professionaliteit van het beroep benadrukken door het dragen van een insigne als symbool van het behaalde diploma.

Om de identiteit van diverse kruisverenigingen te benadrukken en nieuwe leden aan te trekken, werd het werk op verschillende manieren gepromoot en uitgedragen. Een voorbeeld hiervan is het Groene Kruis-lied uit 1925, vermoedelijk gecreëerd toen het Groene Kruis 25 jaar bestond. Daarnaast was er een propagandaplakkaat genaamd ‘Charitas’, dat elke Wit-Gele kruisvereniging zelf kon invullen.

Wijkverpleging na de oorlog: volle kracht vooruit!

Voor de Tweede Wereldoorlog werd wijkverpleging gezien als iets dat vooral nodig was in achterstandswijken of op het platteland. Na de oorlog werd kruiswerk iets wat voor iedereen toegankelijk was, ongeacht  achtergrond of levensomstandigheden. Dankzij betere voeding en hygiëne was er al een afname in zuigelingensterfte, maar de babyboom na de oorlog zorgde voor een snelle toename van consultatiebureaus en moedercursussen in de wijkgebouwen. Ook nam het aantal ouderen dat zorg nodig had toe, omdat mensen ouder werden, er betere medicatie beschikbaar was en levensomstandigheden verbeterden.

Desondanks waren er direct na de oorlog nieuwe, grote uitbraken van tuberculose (tbc) en werd de wijkverpleegster als tbc-huisbezoekster cruciaal voor het indammen van verdere verspreiding. Doordat wijkverpleegsters bij iedereen langsgingen, was hun zichtbaarheid groot. Deze promotiefilm (Groene Kruis Groningen 1947) laten het belang van het kruiswerk voor de gezondheidszorg goed zien:

Door allen, voor allen

Kruisverenigingen in alle kleuren

Hoewel de kruisverenigingen zich organiseerden op basis van verschillende (religieuze) achtergronden, waren de werkzaamheden voor wijkverpleegsters overal hetzelfde. Alle kruisverenigingen boden onder andere consultatiebureaus, moedercursussen en instrumentenuitleen aan. Natuurlijk varieerde de behoefte per wijk. In een kinderrijke wijk lag meer nadruk op het consultatiebureau en moedercursus dan in een wijk met ouderen. De welvaartsstaat was in opkomst en zorg was mogelijk ‘van de wieg tot het graf’ bij de kruisverenigingen.

Van foldermateriaal en posters tot aan suikerzakjes en luciferdoosjes; alles werd aangegrepen om de kruisverenigingen én de signatuur zichtbaar te maken. En dat lukte. In 1960 was ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking lid van het Groene Kruis. Kruisverenigingen waren echt een begrip.

Bezorgd om imago

Dat wijkverpleegkundigen hoog complexe zorg verleenden, was bij het grote publiek niet altijd bekend. De Nederlandse Bond voor Wijkverpleegsters besloot begin 1970 tot een onderzoek met als doel de professionaliteit van het beroep onder de aandacht te brengen.

Het onderzoek richt zich op het verkrijgen van meer inzicht in de taken van wijkverpleegkundigen. Dit is belangrijk om, zoals ze zelf aangeven, “niet alleen onze identiteit voor onszelf vast te stellen, maar vooral ook naar buiten toe, naar functionarissen zoals huisartsen, maatschappelijk werkers, schoolverpleegsters. In bepaalde commissies worden we niet gevraagd. Men kent ons slechts als de zuster van de wasbeurten en de consultatiebureaus.”

De verschillende regio’s werden gevraagd dagboeken bij te houden. Deze dagboeken, of logboeken, laten zien  tegen welke uitdagingen de wijkverpleegkundige aanliep.

Dagboekfragment van wijkverpleegkundige, ca. jaren 70

Men kent ons slechts als zuster van de wasbeurten en consultatiebureaus

Uitzondering bij crises

Door de oliecrisis in 1973 besloot de regering dat het oliegebruik – en daarmee de benzineconsumptie – aanzienlijk lager moest. Een van de meest zichtbare en bekende maatregelen was de autoloze zondag. Wijkverpleegkundigen ontvingen een speciale ontheffing om hun werkzaamheden uit te voeren, bestaande uit een machtiging, rantsoenbonnen voor benzine en een bordje/sticker voor in de auto om aan te geven dat er een patiënt werd bezocht. Dit benadrukte het belang dat de maatschappij en overheid hechtten aan de wijkverpleging.

Vrijstellingen voor wijkverpleegkundigen: Bonnen voor benzine, voor personenauto’s lichtgewicht E. Op het vel zitten nog 21 bonnen van in totaal 25. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Hiv/aids: pionieren in de wijk

Wijkverpleegkundigen kwamen altijd al bij mensen thuis en hygiënemaatregelen hoorden daar automatisch bij. Maar wat als er een onbekende ziekte de kop opsteekt? Een ziekte die niet gemakkelijk te beheersen is en die lijkt toe te slaan bij een specifieke gemeenschap? Dan is het een kwestie van de handen uit de mouwen steken en pionieren. Pionieren betekent ook zichtbaar zijn voor de collega’s, de patiënten en hun dierbaren. Het verhaal van wijkverpleegkundige Jos Eggenkamp laat zien hoe dat pionierswerk er voor hem uitzag.

Jos
Eggenkamp

Het verhaal van Jos Eggenkamp, aidsverpleegkundige in de wijk. Foto en interview opgenomen op 7 september 2017 te Amersfoort.

Covid-19 en wijkverpleging

Begin 2020 werd de wereld overvallen door covid-19. Maar, waar iedereen geadviseerd werd om afstand van elkaar te houden en thuis te werken, moest de wijkverpleging doorgaan. Het coronavirus en de lockdowns zorgden soms voor schrijnende situaties waarbij zieke mensen alleen de wijkverpleging zagen, helemaal ingepakt met persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm) om het virus buiten de deur te houden.

Dat was zeker niet makkelijk. Net als andere zorginstellingen – zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen – stond de wijkverpleging ‘aan het front van de samenleving’, vergelijkbaar met Florence Nightingale en Mary Seacole ruim 150 jaar geleden op de slagvelden van de Krim.

Tijdens de coronaperiode veranderde de zichtbaarheid van de wijkverpleegkunde. Vanwege de toegenomen media-aandacht voor de zorg, maar ook omdat wijkverpleegkundigen van zich lieten horen. Denk bijvoorbeeld aan de blogs van Pauline Arts of Blogzuster.nl, zij beschreven waar wijkverpleegkundigen mee te maken kregen. Zie bijvoorbeeld deze blogpost over werken met PBM (Persoonlijke Beschermings Middelen):

Lees hier

Toekomstbeeld: de wijk nóg centraler?

Anno 2025 staat de wijkverpleging weer helemaal op de voorgrond. Mensen wonen langer zelfstandig thuis en verblijven steeds korter in het ziekenhuis. Hoe de toekomst eruit gaat zien, weet niemand. Wel zal de veelheid van thuiszorgorganisaties, de vergrijzing en digitalisering het wijkverpleegkundig landschap kleuren. Ook spelen thema’s als het tekort aan personeel en financiën een steeds grotere rol. Hopelijk staan er nieuwe mensen op die de wijkverpleging naar een hoger plan kunnen tillen, net zoals de illustere, maar minder op voorgrond tredende wijkverpleegkundigen die (kort) in deze tentoonstelling zijn uitgelicht.

  • Huige, J.J.C., Van kruiswerk tot thuiszorg: de moeizame strijd voor erkenning van een boeiende maar complexe werksoort in de periode 1946-1990 (Bunnik: Landelijke Stichting Beheer Kruiswerk, 2011)
  • Jamin, Hervé, Christa Carbo, and Yolande Michon, 125 jaar thuiszorg: oude tradities en nieuwe ambities : 1875-2000 (Baarn, [S.l.]: Tirion ; Thuiszorg Gooi en Vechtstreek, 1999)
  • Merwijk, Tine van, Kruisgebouwen. Categoriaal onderzoek 1940-1965, in opdracht van: Projectteam Wederopbouw van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (Zeist, 2004)
  • Ned. Bond Wijkverpleegsters, Verslag bijeenkomst studieprojecten dagboeken van Ned. Bond Wijkverpleegsters, 15-05-1971, 1

Overige bronnen:

Filmbank – Archief Groningen
Stadsarchief Rotterdam
Delpher
Filmarchief – Brabant in Beelden