Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN

Religieuze wortels

De verpleegkunde vóór Florence Nightingale

Begint de geschiedenis van de verpleegkunde bij Florence Nightingale? Hoewel dat soms zo lijkt, Florence Nightingale wordt wereldwijd gezien als de grondlegger van de ‘moderne’ verpleegkunde, begint de geschiedenis van het vak niet bij haar. Al vóór Nightingale werden zieken op georganiseerde wijze verpleegd. Meestal uitgevoerd door religieuze gemeenschappen. Vanaf de Middeleeuwen begon verpleegkunde een belangrijkere plek in te nemen in Europa. De Katholieke Kerk organiseerde zorg vanuit een gevoel van naastenliefde. Monniken en nonnen verzorgden zieken in religieuze hospitalen, vaak verbonden aan een klooster of begijnhof. Vanaf 1500, tijdens de Renaissance, sloten vele religieuze ziekenhuizen door kerkhervormingen hun deuren. Door de vele oorlogen in deze periode steeg de vraag naar zorg en raakten de gasthuizen overvol. Terwijl de medische kennis groeide, verslechterde de zorg in deze openbare hospitalen. De situatie werd zo slecht dat alleen de armste zieken nog naar een gasthuis gingen voor verzorging en verpleging. Wie veel geld had, liet zich thuis verplegen. Zelfs operaties werden bij de rijken thuis uitgevoerd.

De eerste katholieke gasthuizen

In 1819 opende het eerste katholieke gasthuis in Nederland zijn deuren: het St. Elisabeth Gasthuis in Breda. De jonge kloostergemeenschap groeide snel en breidde haar zorg uit naar omliggende gemeenten. Daarmee ligt in Breda de oorsprong van de religieuze verpleging in Nederland. Daarna volgden meer gasthuizen, aanvankelijk vooral in het zuiden van het land, later ook in steden als Amsterdam, Rotterdam, Arnhem en Utrecht. Voor de verpleging werd vaak een beroep gedaan op katholieke kloosterlingen.

Katholieke kloosterordes

Toen het katholicisme in Nederland weer werd toegestaan, kwamen er nieuwe kloosters. Vaak begonnen die met een klein groepje vrouwen die samen wilden leven volgens hun geloof. Later groeiden deze groepen uit tot grote gemeenschappen, soms met honderden leden, ook in het buitenland. De kloosterlingen besteedden hun tijd niet alleen aan gebed. Ze hielpen ook bij het onderwijs en zorgden voor wezen, ouderen en zieken. In katholieke gasthuizen werkten veel religieuze zusters. Zij waren toegewijd en goedkoop. De zusters zorgden niet alleen voor het lichaam van de zieke mensen, maar ook voor hun ziel. Door hun komst werd de zorg in de gasthuizen veel beter. Bekende kloosterordes uit die tijd zijn bijvoorbeeld de Zusters van Liefde en de Zusters onder de Bogen.

Vereeniging voor Ziekenverpleging

Amsterdamse notabelen en artsen richtten in 1843 de Vereeniging voor Ziekenverpleging op, vanuit de overtuiging dat iedere burger recht had op goede verpleging. Niet iedereen stelde prijs op religieuze zusters aan het ziekbed. Daarom werkten bij de vereniging ‘neutrale’ pleegzusters, die vooral verpleging aan huis boden. In 1857 opende de vereniging het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam, het eerste lekenziekenhuis in Nederland. Het Prinsengrachtziekenhuis was niet verbonden aan een godsdienst. De ‘neutrale’ pleegzusters van de Vereeniging voor Ziekenverpleging verpleegden voortaan niet meer alleen thuis, maar ook in dit ziekenhuis dat een begrip werd vanwege de ‘deftige’ zusters.

Eerste diaconessenhuis

De protestantse diaconessenbeweging was overgewaaid uit Duitsland. Vrome diaconessen namen de verpleging op zich volgens het model van ds. Fliedner uit Kaiserswerth. Het eerste diaconessenhuis werd in 1844 geopend in Utrecht. Velen zouden volgen. Ook de diaconessen verpleegden uit roeping.

Broeders van Barmhartigheid van Sint Joannes de Deo

De zogeheten Broeders van Barmhartigheid kwamen eind negentiende eeuw vanuit Duitsland naar Nederland. Zij verzorgden hier voornamelijk  zieke mannen. Het maakte daarbij niet uit welke afkomst of religie ze hadden. De Broeders hadden vestigingen in heel Nederland, zoals in ’s-Hertogenbosch, Amsterdam, Utrecht en Nijmegen.