Versterking van het beroep
Een eigen inspecteur
Als eerste naoorlogse minister van Sociale Zaken deed Willem Drees, geconfronteerd met grote aantallen tuberculoselijders, in september 1945 een dringend beroep op de “vrouwen van Nederland” om verpleegster te worden. Hij beloofde hun belangen te dienen en hun positie te versterken. Zijn ambtenaren gingen voortaan in gesprek met verplegenden bij beleidsvoorstellen die de verpleging betroffen. Hoofdinspecteur Banning pleitte ervoor dat algemene ziekenverpleegsters in opleiding niet alleen verpleegtechnieken, maar ook educatieve strategieën zouden leren, zodat zij patiënten konden aanzetten tot een gezonde levensstijl. Daarom stelde hij in november 1945 verpleegster Fie Hooykaas aan als Inspecteur voor Opleidingszaken. Toen Banning de financiële regelgeving rond verpleegexamens centraliseerde, wist Hooykaas te bewerkstelligen dat de Inspectie vanzelfsprekend toezicht kreeg op alle basisopleidingen. Zo legde zij de basis voor de integratie van verpleegopleidingen en ontwikkelde zij tevens een opleiding in tuberculosebestrijding.
Krachten gebundeld: De Federatie
Na de Tweede Wereldoorlog was de verpleging in Nederland sterk versnipperd. Tal van organisaties vertegenwoordigden het vak, maar er ontbrak een gezamenlijke stem. In 1945 riepen toonaangevende beroepsverenigingen, bijeen in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis, op tot samenwerking. Tegelijkertijd moedigde minister Willem Drees jonge vrouwen aan om het beroep van verpleegster te kiezen. Deze twee bewegingen kwamen samen in 1946 met de oprichting van de Federatie van Nederlandsche Vereenigingen die de belangen van de verpleging en de verplegenden behartigen. Onder leiding van onder meer Frederike Meyboom kreeg de beroepsgroep voor het eerst een landelijke vertegenwoordiging. De Federatie besloot in 1947 het gerenommeerde Tijdschrift voor Ziekenverpleging (TvZ) te gebruiken als communicatiekanaal met haar ruim 9.700 leden.
Een eigen pensioenfonds
In deze jaren kwam ook de sociale positie van verpleegkundigen nadrukkelijk op de agenda. Verpleger Cornelis de Bruijn streed voor pensioenrechten voor verplegenden in particuliere instellingen. Zijn inzet leidde in 1948 tot de oprichting van het Pensioenfonds Volksgezondheid en Maatschappelijk Werk. Daarmee werd voor het eerst gewerkt aan een fatsoenlijk pensioen voor álle verpleegkundigen, een streven dat in 1969 uitmondde in het bekende PGGM.
Aandacht voor de maatschappelijke positie
De groeiende aandacht voor de maatschappelijke positie van verpleegkundigen kreeg in 1951 een vervolg in de ideeën van staatssecretaris Piet Muntendam. Hij zag in dat verpleging meer was dan medische uitvoering alleen, en richtte de Commissie Persoonlijkheidsvorming op. Voor het eerst overlegden ambtenaren van Volksgezondheid, Onderwijs en vertegenwoordigers uit de zorg gezamenlijk over de toekomst van het beroep. Met steun van verplegenden zoals H.C. Felderhof ontstonden nieuwe, experimentele opleidingsmodellen die verpleegkundigen hielpen uit te groeien tot zelfstandige professionals met een eigen stem.