Verplegings-wetenschap
De aanloop
Tot de jaren tachtig was verpleegkundig handelen in Nederland vooral gebaseerd op praktische ervaring. Theorievorming liet op zich wachten. Na 1972 verdedigden verschillende betrokkenen in het hbo-v voor een universitaire opleiding. Een hbo-v-diploma zou dan toegang geven tot een wetenschappelijke studie. De Werkgroep Universitaire Opleiding Verpleegkundigen kwam in 1975 met de schatting dat de gezondheidszorg behoefte had aan circa 3.000 universitair geschoolde verplegingswetenschappers: 2.354 voor de verplegingsdienst, 50 voor de organisaties, 336 docenten en 100 wetenschappelijke medewerkers. Onder leiding van medisch socioloog prof. dr. Hans Philipsen werd in 1980 de studierichting verplegingswetenschappen als onderdeel van de studie sociale gezondheidskunde opgericht aan de Rijksuniversiteit Limburg (nu Maastricht University). Studenten hoefden geen verpleegkundige basis te hebben om aan de opleiding te beginnen. Een belangrijk verschil met de universitaire opleiding verplegingswetenschappen in het buitenland. Met name de deeltijdvariant trok in korte tijd veel verpleegkundigen aan.
De eerste lichtingAnneke van den Bergh-Braam
Verpleegkundige en sociologie dr. Anneke van den Bergh-Braam werd in 1986 de eerste bijzonder hoogleraar verplegingswetenschap. Samenwerking tussen de universiteiten van Maastricht, Utrecht en Groningen, het zogeheten MUG-verband, leidde in 1990 tot een driejarig doctoraalprogramma aan de drie universiteiten. Met de komst van lectoraten en de installatie aan universiteiten van bijzonder hoogleraren verplegingswetenschappen en ggz-verpleegkunde ontstaat geleidelijk een stevige wetenschappelijke infrastructuur. Inmiddels kent elke Nederlandse universiteit verpleegkundig hoogleraren en promoveerden al honderden verpleegkundigen op eigen onderzoek.
Proefschriften verpleegkunde