Van ziekenverzorgende tot verzorgende IG
Inleiding
In de eerste helft van de 20e eeuw was ziekenverzorgende nog geen georganiseerd beroep. Naast gediplomeerde verplegenden, werden onder meer kraam- en gezinsverzorgsters ingezet in de zorg voor mensen thuis. Ouderenzorg was nog geen groot thema. De groep 65+ was nog betrekkelijk klein in Nederland. Als zij zorg nodig hadden, dan konden zij terugvallen op een betaalde hulp of hun eigen familie. Was geen van beiden een optie, dan was men aangewezen op liefdadigheid. En dat was geen pretje. In de armenhuizen van weleer golden vaak strenge regels en waren de omstandigheden niet altijd even goed.
De jaren ’50
In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd de vraag naar zorg steeds groter. Dit kwam onder andere door enorme ontwikkelingen in de medische wetenschap en de verbeterde financiering van de Nederlandse gezondheidszorg. Het aanbod van verplegenden groeide echter te traag mee. Vrouwen konden, anders dan voorheen, op steeds meer plekken werken dan in de zorg. Hierdoor dreigden grote tekorten.
Oprichting ‘Federatie van Verpleeginrichtingen voor langdurig zieken’
Op 27 maart werd de Federatie van Verpleeginrichtingen voor langdurig zieken opgericht. Deze federatie had als doel: ‘een goede en verantwoorde verpleging te geven aan deze mensen’. Dit deed de Federatie door de verpleeginrichtingen goed onder de loep te nemen. Hier heersten namelijk veel wantoestanden. Zo schreef de Federatie dat er in veel inrichtingen ‘wordt gewerkt uit winstbejag ten koste van de patiënten’ en dat de zorg werd toevertrouwd aan ‘meisjes die niet voor dit werk klaargemaakt zijn’. De federatie wilde de vaak ongediplomeerde krachten vervangen door een speciaal voor deze zorg opgeleide ziekenverzorgster.
Specialist in zorg voor chronisch zieken...?
In nauwe samenwerking met de Geneeskundige Hoofdinspectie ontwierp de Federatie van Verpleeginrichtingen voor langdurig zieken een opleidingsplan voor de ziekenverzorgster. Voor de opleiding werd een aanvangsleeftijd van 18 jaar ingesteld. Als vooropleiding moest tenminste de lagere school zijn doorlopen. Na een proeftijd van drie maanden kon de ziekenverzorgster in opleiding beginnen aan haar tweejarige opleiding. De theoretische vakken bestonden onder andere uit: ziekteleer, ethiek en praktijk der ziekenverpleging, Nederlandse taal en kookles. Op 15 september 1953 startte de eerste lichting van 130 leerlingen, verdeeld over 7 inrichtingen in het land. Het behaalde diploma gold enkel in de verpleeginrichtingen die aangesloten waren bij de Federatie. In het geval dat de ziekenverzorgster elders aan het werk ging, moest ze haar insigne weer inleveren.
...Of hulpje van de A verpleegster?
Begin jaren ’50 heersten ook in de ziekenhuizen grote tekorten. Om deze tekorten op te vullen, verlaagden veel ziekenhuizen de toelatingseisen voor hun verpleegstersopleidingen. Dit zorgde voor de nodige problemen in de verpleging. In 1955 organiseerde de Voorlopige Verplegingsraad (VVR) een conferentie in Heelsum om deze problemen in kaart te brengen. Een van de belangrijke adviezen die uit deze conferentie kwam, was het instellen van een minimumeis voor de verpleegstersopleiding. Om geen kostbare werkkrachten te verliezen, pleitte men ook voor een wettelijk erkende opleiding tot verpleegsters-assistent, ofwel VERA. Deze opleiding moest 1,5 jaar gaan duren en besloeg grofweg het eerste jaar van de toenmalige A-opleiding verpleegkunde. De minimale leeftijd voor toelating werd ingesteld op 17 jaar. In het officiële rapport van de VVR werd de naam VERA veranderd naar ziekenverzorgster.
Wettelijke bescherming
Wet op ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters
Na een lange periode van overleg was de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters in 1963 een feit. De wet ging op 15 juli 1965 van kracht. In tegenstelling tot verpleegkundigen, werden ziekenverzorgenden opgeleid voor alle velden in de gezondheidszorg. De wet beschermde de titel van ziekenverzorg(st)er, niet het beroep zelf. Bij diplomering kregen ziekenverzorgenden hun eigen insigne. Veel bestaande opleidingen, waaronder die van De Federatie, kregen door middel van een beschikking in deze wet ook wettelijke erkenning.
Opleiding in de jaren '60
Als ik iemand ’s ochtends had geholpen en ik had zijn haar niet gekamd, dan werd ik teruggestuurd door een non om het opnieuw te doen.
Marjan Schram startte in 1961 aan de opleiding tot ziekenverzorgster. Zij studeerde vlak na de wettelijke erkenning af. Haar opleiding deed ze in het katholieke verpleeghuis Maria Auxiliatrix in Venlo, tussen de nonnen. Toen zij startte, zag het vak er heel anders uit dan nu. Netjes werken was erg belangrijk, soms belangrijker dan het bezighouden van patiënten. “Als ik iemand ’s ochtends had geholpen en ik had zijn haar niet gekamd, dan werd ik teruggestuurd door een non om het opnieuw te doen.”
Intern wonen was verplicht. De opleiding was zwaar. Er was weinig vrije tijd. In de opleiding werden, naast verpleegkunde en anatomie, ook Nederlandse taal en letterkunde en rekenen behandeld. Een priester gaf godsdienstleer. Het uniform bestond uit een donkerblauwe jurk met stijve, plastic boorden. Daarover heen droegen de verzorgenden op de afdeling barakschorten, en tijdens het eten moesten de leerlingen een verpleegstersschort dragen. Deze moest minimaal handbreed onder de knie hangen, anders was deze te kort. De leerlingen moesten de schorten zelf stijven en strijken.



Een eigen specialisatie?
Aan het begin van de jaren ‘70 kwam er een einde aan het tekort aan verpleegkundigen. Dit bleek een zegen voor de ziekenverzorgenden. Zij waren namelijk hard nodig in de snel groeiende ouderenzorg. Overal door het land sprongen de psychogeriatrische instellingen als paddenstoelen uit de grond. De inservice–opleiding tot ziekenverzorgende werd grondig herzien. Historica en fervent pleitbezorgster voor de ziekenverzorgende Cora Bakker-van der Kooij noemde het curriculum dat ontstond uniek in de wereld. Nergens anders werden professionals zó gespecialiseerd opgeleid voor ouderen en chronisch zieken als in Nederland.
Vanaf 1978 deden ziekenverzorgenden ook intrede in de wijk. Ze kwamen te werken bij de kruisverenigingen. De opleiding duurde een halfjaar. Het takenpakket van de wijkziekenverzorgende bestond onder andere uit verzorging van de thuisblijvende patiënt, bejaardenbezoeken, assistentie verlenen bij de werkzaamheden van de wijkverpleegkundige en vele voorlichtingstaken. Een aantal voorbehouden handelingen, waaronder intramusculair injecteren, mocht de wijkziekenverzorgende niet meer uitvoeren.
Wijkziekenverzorgster aan koffietafel bij gezin, ca 1960 -1970. Collectie Museum voor de Verpleegkunde
“Toen ik in de wijk ben gaan werken, leerde ik pas echt mijn vak uitoefenen. Je maakte van alles mee. Ik werkte in een boerenomgeving en op veel plekken had men nog geen douche. Het koffiedrinken was erg belangrijk. Door het werken in de wijk zag ik hoe bijzonder mensen zijn.
Dagopleidingen
Meer uren, meer opleidingen
In navolging van de verpleegkunde, waar de mbo-v en de hbo-v in 1972 het daglicht zagen, kwam er ook een dagopleiding tot verzorgende. Deze werd ondergebracht in het Middelbaar Dienstverlenings- en Gezondheidszorgonderwijs (MDGO) als MDGO-VZ (lang) en duurde drie jaar. De MDGO-VZ werd verbreed met de kraamverzorging en de lichamelijk-gehandicaptenzorg. In 1996 hield de MDGO-VZ op te bestaan.
In de jaren ’80 breidde de opleiding tot ziekenverzorgende flink uit. Waar het aantal lesuren in de jaren ’70 nog zo’n 400 uur bedroeg, was dat in 1984 al opgehoogd naar 770 uur. In 1986 werd dit verder uitgebreid naar 990 uur. Mede door de werkweekverkorting van 40 naar 36 uur, besloeg de opleiding nu liefst 30 maanden. Dit betekende dat er een groot verschil ontstond tussen ziekenverzorgenden die voor en na 1986 waren opgeleid. Volgde een ziekenverzorgende ‘oude stijl’ een applicatiecursus, dan was deze weer bijgeschoold.



De opleiding was heel overweldigend, je werd in het diepe gegooid. Ik weet nog goed dat ik een zaal met acht dames had, die allemaal niets konden. Ik moest ze wassen en aankleden. Een vrouw had twee beenprotheses, met van die leren en met veters van begin tot het einde. En dan moest ik om 10:30 uur klaar zijn met de verzorging.
Aids in Nederland!
In de jaren ’80 en ’90 zijn ziekenverzorgenden inmiddels niet meer weg te denken uit de zorg voor chronisch zieken. Eind jaren ’80 komt daar ook een hele nieuwe groep bij: mensen met aids. Deze groep was vaak jong en mondig en (terminaal) ziek. In de zorg voor mensen met aids werd er onder andere beroep gedaan op ziekenverzorgenden in verpleeghuizen en in de wijk. Naast (homo)seksualiteit, werden hierdoor ook euthanasie en (thuis) sterven belangrijkere thema’s voor ziekenverzorgenden. Mensen met aids wilden zo lang mogelijk thuis blijven in hun eigen omgeving. Als dat écht niet meer mogelijk was, konden zij terecht in het verpleeghuis. Toen aids een chronischer karakter kreeg in de jaren ’90, gebeurde dat steeds vaker. In de verpleeghuizen werd veel aandacht besteed aan de extra zorgbehoeften van deze groep. Ook aan het personeel werd gedacht. Zo bestond er best wat onwetendheid en angst over aids. Dit was mede gevoed door vooroordelen jegens de patiëntengroepen. Daarom kregen de verzorgenden veel scholing over dit onderwerp.
Jos
Eggenkamp
Het beroepsprofiel
In het eerste verpleegkundig beroepsprofiel werd onderscheid gemaakt op 2 deskundigheidsniveaus. Verpleegkundigen van de nieuwe hbov en inmiddels al gestopte mbov vielen onder het eerste deskundigheidsniveau, evenals de inservice geschoolde A-, B- en Z-verpleegkundigen. Ziekenverzorgenden vielen binnen het tweede deskundigheidsniveau en werden hiermee gelijkgesteld aan de verplegenden van de nieuwe MDGO-VP. De verzorgenden van de MDGO-VZ (lang) vielen buiten dit beroepsprofiel. Ziekenverzorgenden reageerden wisselend. Aan de ene kant voelde het als een erkenning dat de ziekenverzorgenden in het verpleegkundig domein opereerden. Anderen zagen het vooral als problematisch. De ziekenverzorgenden, hoewel van oorsprong niet gebonden aan de ouderenzorg, hadden daar inmiddels een grote deskundigheid opgebouwd. Een deskundigheid waar door de vergrijzing een sterke groeiende behoefte aan was. Verschillende mensen pleitten dan ook, tevergeefs, voor een opwaardering naar het eerste deskundigheidsniveau op het gebied van de geriatrie.
Belangenbehartiging
Het Beterschap
Het Beterschap zette zich als eerste grote beroepsvereniging in voor meer zichtbaarheid voor ziekenverzorgenden. Dit deden zij via de werkgroep ziekenverzorgenden. De werkgroep zette een enquête uit onder ziekenverzorgenden om knelpunten binnen de beroepsgroep te identificeren. Die waren niet mals. De ziekenverzorgenden ervaarden: Onduidelijke taakafbakening ten aanzien van de andere verplegende beroepen. Onduidelijke richtlijnen voor verantwoord handelen. Onduidelijkheid over de positie van de ziekenverzorgende in de zorginstelling en zorg in het algemeen.
Dus ondanks dat de taakafbakening omschreven stond in het nieuwe beroepsprofiel, werd dit in de praktijk onvoldoende ervaren door ziekenverzorgenden. De knelpunten werden uitgebreid behandeld op een groot congres voor de ziekenverzorgenden: “Ik ben er trots op ziekenverzorgende te zijn!”
VVIO
Verzorgenden gingen samen met verpleegkundigen massaal de straat op tijdens de ‘witte woede’. Zij organiseerden zich in actiegroep Verpleegkundigen en Verzorgenden In Opstand (VVIO) en andere vakbonden. In een reeks protesten eisten ze betere werkomstandigheden, meer salaris en meer invloed en zeggenschap. Zoals ook op 4 september 1989, toen 7000 verzorgenden uit bejaardenoorden samenkwamen in het Concertgebouw in Den Haag. Daar eisten ze een verlaging van de werkdruk en een verhoging van het salaris.


Diversiteit in het vak
De Nederlandse samenleving werd steeds diverser. In de zorg was dat niet anders. In de jaren ’80 was er nog veel onbekend over het verzorgen van mensen met een andere culturele achtergrond. Onbegrip voor verschillende culturen kan de zorg bemoeilijken. In vakblad Tijdschrift voor Verzorgenden kwam daarom steeds meer aandacht voor diversiteit in de zorg. In een artikel over de islam bijvoorbeeld, werd uitgebreid ingegaan op de omgang met ziekte en de dood, maar ook op taboes rondom de verzorging en naaktheid.
In verpleeghuizen is de geschiedenis nooit ver weg. Zeker niet in verpleeghuis Beth Shalom. Aan het begin van deze eeuw liggen daar veel mensen met een Joodse achtergrond, die de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog overleefden. Het verzorgende personeel moest deze geschiedenis kennen en ermee kunnen omgaan. “Je moet hier lief zijn, en begrip hebben voor het verdriet dat de mensen hier bij zich dragen. Men heeft vaak maar weinig familie, waardoor je snel onderdeel wordt van hun leven. Dat maakt het werk extra fijn voor mij. Maar je moet het wel kunnen loslaten als je thuis komt. De bewoners vragen dat we flexibel zijn. Je weet nooit hoe een dag zal verlopen, en wat er van de oorlog boven komt. Maar we kunnen ons het niet veroorloven om daar niet op in te gaan. Daarvoor hebben zij teveel meegemaakt.”
STING
Zeven maanden na de oprichting van het Landelijk Centrum voor Verpleging en Verzorging (LCVV) kreeg de vereniging een commissie verzorging. De commissie moest zich bezighouden met de problemen binnen de verzorging. Problemen die volgens de eerste commissievoorzitter Greet Ermen, deels kwamen door de vage definitie van het beroep verzorgende in het verpleegkundig beroepsprofiel. In 1996 publiceerde de commissie het rapport ‘Zorg voor zorg’ en een jaar later het ‘Meerjarenprogramma Verzorging’ waarin de commissie beschreef hoe de positie en het imago van verzorgenden kan worden verbeterd.


Van ziekenverzorgende naar Verzorgende IG
Samenhangend stelsel
Met de komst van het Samenhangend Stelsel, een grondige hervorming van het zorgonderwijs, vervielen de oude inservice opleidingen. ROC’s leidden voortaan via de beroepsbegeleidend (BBL) en beroepsopleidende (BOL) leerweg de nieuwe ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ of VIG op. De VIG-ers (niveau 3) werkten samen met mbo- (niveau 4) en hbo-verpleegkundigen (niveau 5) binnen het verpleegkundig. Daarnaast kwam er op niveau 3 ook een Verzorgende Algemene Gezondheidszorg (VAG). VAG-ers mochten in tegenstelling tot VIG-ers geen voorbehouden handelingen uitvoeren. Om als VIG-er aan de slag te gaan, moesten VAG-ers een losse deelkwalificatie (304) halen. Hiermee kwam er nog steeds geen oplossing voor de verwarring die de functienaam verzorgende al jaren kopzorgen kostte. Er bleven meerdere opleidingstitels voor verzorgenden: Verzorgenden IG en AG.
In 1997 ging de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, ook wel Wet BIG, van kracht. De wet legde in een register vast welke beroepen bepaalde voorbehouden handelingen mogen uitvoeren. De Verzorgenden IG kunnen zich niet in het BIG-register registreren. Zij vallen ook niet onder het tuchtrecht. Wel werd de VIG opgenomen in artikel 34 van de wet. Dat betekent dat zij, in tegenstelling tot de andere verzorgende beroepen, wél voorbehouden handelingen mogen verrichten. Zoals het toedienen van medicijnen, het inbrengen van katheters of het injecteren.
Uitstroom VIG
In het samenhangend stelsel mochten ook de volgens het oude systeem opgeleide ziekenverzorgenden de titel ‘Verzorgende IG’ dragen. Dit zorgde voor veel verwarring, want zij waren hier eigenlijk niet voor opgeleid. Hierdoor werd het moeilijk te onderscheiden of iemand de VIG-opleiding had afgerond of enkel de titel VIG droeg. Veel instellingen kozen ervoor te stoppen met de Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL) opleidingen. Hierdoor veranderde het werkveld van de VIG. Dit had namelijk tot gevolg dat er veel stagiaires via zogeheten Beroeps Opleidende Leerweg (BOL)-opleidingen in verpleeghuizen kwamen werken, naast de stagiaires mbo- en hbo-verpleegkunde. Deze stagiaires werden voornamelijk begeleid door verzorgenden IG. Iets wat de nodige discussies veroorzaakte tussen zorginstellingen en opleidingsinstituten. Zo vonden hogescholen dat de verzorgenden IG’s niet geschikt zouden zijn voor het begeleiden van hbo-v–stagiaires.
Afdeling verzorgenden bij AVVV
In 1996 werd het LCVV de Algemene Vergadering van Verpleegkundigen en Verzorgenden (AVVV). Binnen de AVVV kenden de verzorgenden vanaf 2001 een eigen fractie. Deze bestond uit verzorgenden, werkzaam in heel Nederland. De fractie worstelde met de wildgroei aan opleidingen voor verzorgenden. Dit ging ten koste van de herkenbaarheid en identiteit van de verzorgende IG. Men wist niet meer waar dit beroep voor stond. De Fractie wilde hier verandering in brengen door het stimuleren van goede opleidingen en het positioneren van het verzorgende beroep tijdens een landelijke Dag van de Verzorging.
Fusie STING / LEVV en V&VN
In 2011 fuseerden V&VN, STING en het LEVV tot Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN). Met de fusie kwam ook een herstart van het platform verzorgenden. Met name de medewerkers van STING vonden het van groot belang dat de verzorgende een sterke positie binnen de nieuwe beroepsvereniging kreeg. Paulien van Bodé en Gerda van Brummelen begeleidden het platform waar, net zoals bij AVVV, weer verzorgenden voor werden geworven.
Beroepsprofiel verzorgenden
Onder leiding van beroepsvereniging V&VN werd er gewerkt aan nieuwe beroepsprofielen voor verpleegkundigen en verzorgenden. Door heel het land werden rondetafelgesprekken gevoerd. De vraag die daar gesteld werd: Hoe kijken verzorgenden zelf aan tegen hun beroepsprofiel? Een van de uitkomsten was de overlap tussen de verzorgende IG en de verpleegkundige mbo niveau 4. De verzorgenden onderschreven het profiel van de nieuwe zorgkundige, die deze twee beroepen moest combineren. Dit nieuwe profiel viel echter niet goed bij veel verpleegkundigen en werd uiteindelijk niet overgenomen.
Lastige positie arbeidsmarkt
Hoewel er in 2018 wel een nieuw beroepsprofiel kwam, bleef de verzorgende IG in een lastige positie op de arbeidsmarkt. Vanwege de grote tekorten ontstonden er allerlei trajecten om mensen snel op te leiden tot verzorgende IG. Daarnaast ontstond er een scala aan nieuwe beroepsgroepen die zich op het werkterrein van de VIG begaven. Zij mochten na behalen van cursussen voorbehouden handelingen uitvoeren, maar waren niet opgeleid tot VIG. Zo leek de VIG opnieuw een speelbal van de arbeidsmarkt geworden.
Platform verzorgenden bij V&VN
Het platform Verzorgenden zette de verzorgenden IG binnen V&VN weer op de kaart. Vooral de regionale congressen voor verzorgenden waren erg populair, met geregeld honderden deelnemers. Deze congressen stimuleerden de verzorgende netwerken, het delen van kennis en de zichtbaarheid van rolmodellen binnen de beroepsgroep. Tot op de dag van vandaag zet het platform zich in voor de zichtbaarheid en positie van de verzorgende beroepsgroep. Dit doet het platform bijvoorbeeld door aan te schuiven aan nationale overlegtafels, het organiseren van bijeenkomsten voor verzorgenden en het bouwen van een verzorgende community onder de leden van de beroepsvereniging. Sinds 2021 zit er met Fenny Steunenberg ook een verzorgende IG in het bestuur van V&VN. In 2022 werd het platform een afdeling V&VN verzorgenden.
Corona
In het voorjaar van 2020 werd de wereld opgeschrikt door de coronapandemie. Waar de intensivecare-units volop in de spotlights stonden, voltrekt zich een ‘stille ramp’ in de wijk en verpleeg- en verzorgingstehuizen. Verzorgenden zagen in korte tijd veel cliënten overlijden. Ook kampten ze met een tekort aan beschermende middelen. Ondanks de moeilijkheden, zijn er veel bemoedigende verhalen van verzorgenden en hun cliënten in deze roerige tijd.
Voorzitter V&VN Verzorgenden Marita wordt gevaccineerd, januari 2021.
Verzorgenden en corona
Op 6 januari 2021 voltrok zich een historisch moment. Het eerste corona-vaccin werd gezet bij verzorgende IG Sanna Elkadiri. Het buisje waarin het vaccinvloeistof zat, is inmiddels opgenomen in de collectie van Rijksmuseum Boerhaave.

Veghel, 6 januari 2021 – Minister Hugo de Jonge aanwezig bij de eerste vaccinatie in Veghel.
De 39-jarige verpleeghuismedewerkster Sanna Elkadiri is woensdagochtend in Veghel als eerste in Nederland ingeënt met het coronavaccin.
Foto: Phil Nijhuis
Op tweede kerstdag 2020 vertelde Jaap van Dissel, hoofd infectieziektenbestrijding van het RIVM, over de coronaramp in de Nederlandse verzorgingstehuizen. Van Dissel stelde dat de hoge sterfte mede het gevolg was van het opleidingsniveau van verzorgenden. Een klap in het gezicht van vele verzorgenden. Marita de Kleijne, voorzitter van het platform verzorgenden van V&VN reageerde dan ook woedend: “Wij hebben zelf de grootste risico’s gelopen door het gevoerde beleid. Door de tekorten aan persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat de wijk en de verpleeghuizen lange tijd achteraan in de rij stonden bij de verdeling daarvan. Door de onveilige en onrealistische RIVM-richtlijnen voor het gebruik van beschermende middelen en mondneusmaskers. Door het wegwuiven van onze zorgen over a- en presymptomatische besmettingen. Daar hebben we Van Dissel niet over gehoord.” Jaap van Dissel nam daags na het interview, zijn uitspraak terug en maakte zijn excuses.
Waar ben je naar opzoek?
Waar ben je naar opzoek?
Kraamzorg thuis
Pioniers in aidsverpleging
Aan het front van de samenleving
Dag Prinsengracht!
Dag van de verpleging
De wijkverpleegkundige: van alle markten thuis!
De pop van zuster Stieltjes
Florence Nightingale Medaille
Katwijks kindersanatorium in oorlogstijd
Met zwaailicht en gillende sirenes
Rosa Vecht: verpleegster in de Grote Oorlog
Van ziekenverzorgende tot verzorgende IG