Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN

De Florence Nightingale Medaille van Liduine Verlinden

Eigenlijk stond ze vlak na haar opleiding op het punt om alweer te stoppen als verpleegster, omdat ze zichzelf niet geschikt vond voor het vak. In plaats daarvan stapte Liduine Verlinden in 1967 als Rode Kruisverpleegster op het vliegtuig naar Vietnam, waar ze bijna een jaar zou werken. Voor haar moed en inzet zou ze een belangrijke onderscheiding krijgen: de Florence Nightingale Medaille.

In opleiding

Liduina Maria Charlotte Wilhelmina Verlinden werd op 11 juni 1943 geboren in Schiedam. Haar roepnaam was Liduine (ook vaak gespeld als Lidwina, Lidwine, of Ludine). Na de middelbare school was Liduine een jaar au pair in Frankrijk, waar ze de Franse taal leerde. In 1962 startte ze haar opleiding tot A-verpleegster in het Amsterdamse OLVG. Ze woonde in die tijd in Huize Lydia, een speciale zusterflat voor leerlingen van buiten Amsterdam.

 

Liduine Verlinden tijdens de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille, 26 september 1969. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Liduine raakte tijdens haar opleiding bevriend met Josephine Melief. Samen rondden ze de opleiding succesvol af. Op 28 oktober 1965 ontving Liduine haar A-diploma en insigne en was ze officieel verpleegster. Ze haalde in 1967 haar kraamaantekening bij het Lambertus Ziekenhuis in Helmond.

Geen 'tweederangs-verpleegster'

Toch stond Liduine na het behalen van haar kraamaantekening op het punt om haar carrière als verpleegster alweer af te breken. Ze vond zichzelf niet ‘100% geschikt’ voor het vak en wilde geen ‘tweederangs-verpleegster’ zijn. Ze had zelfs al een cursus tot secretaresse gevolgd toen Josephine aankondigde als verpleegster naar Zuid-Vietnam te zullen vertrekken. Zij verdiepte zich al een tijdje in de situatie in Vietnam en had vernomen dat het Nederlandse Rode Kruis op verzoek van de Liga van de Rode Kruisverenigingen twee verpleegsters zou uitzenden. Josephine had zich al aangemeld, Liduine besloot daarop spontaan om mee te gaan. Liduine had altijd al ‘in dat soort gebieden’ willen werken en een paar extra handen leek haar daar wel welkom.

Liduine Verlinden (l) en Josephine Melief (r) vlak voor hun vertrek naar Genève ter voorbereiding op Vietnam, 23 augustus 1967. Fotograaf Ron Kroon/Anefo. Collectie Nationaal Archief

Op 23 augustus 1967 vertrokken de vriendinnen naar Genève, waar ze voorbereid werden op het werk in Vietnam. Liduine was op dat moment 24 jaar oud, Josephine 22 jaar. In een bewaard gebleven brief worden de arbeidsvoorwaarden vastgelegd. Het Rode Kruis betaalde de reiskosten, kost- en inwoning ter plaatse en een ongevallenverzekering, waarbij ongevallen door ‘oorlog, invasie of burgeroorlog’ bij uitzondering wél gedekt waren, maar ongevallen door wintersport of met een zware motorfiets dan weer niet. Liduine ontving 1500 piaster per dag voor haar werk, een andere benaming voor de Zuid-Vietnamese munteenheid dong. Daarnaast had ze een geheimhoudingsplicht.

In september stapte het duo in Parijs op het vliegtuig naar Zuid-Vietnam, waar de twee vier maanden zouden blijven. Ze vlogen op Saigon (het huidige Ho Chi Minhstad), maar waar ze geplaatst zouden worden, wisten ze nog niet. Liduine en Josephine namen aan dat het Saigon zou worden.

In een jeep door de Centrale Hooglanden

Het duo werd geplaatst in Ban Mê Thuot (ook gespeld als Ben Me Thuot of Thoit, tegenwoordig Buôn Ma Thuột). Deze stad ligt 360 kilometer boven Saigon, in de Centrale Hooglanden van Vietnam. Ban Mê Thuot telde destijds zo’n 80.000 inwoners. In de stad was een militair hospitaal met 300 bedden aanwezig. In het hospitaal werkten voornamelijk Amerikaanse verpleegsters.

Liduine en Josephine kregen een eigen huis toegewezen. Zij gingen aan het werk voor de Rode Kruisafdeling in de regio. Ze zetten een buitenpost op en trokken door de streek. Hun doel was om lessen EHBO en lessen in hygiëne te geven, zodat de lokale bevolking de post na het vertrek van het duo zelf kon bemensen. Dat zou ze lukken. Ook zetten de verpleegsters zich in om ‘milk stations’ op te zetten in scholen en tehuizen, waarmee ze duizenden kinderen konden bereiken.

Vietnamese kinderen ontvangen melk van een Rode Kruis melkstation, 17 januari 1968. Fotodienst Rode Kruis. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

In december overleed onverwachts Josephines vader, waarop ze vervroegd terugkeerde naar Nederland. Na het vertrek van Josephine stond Liduine er alleen voor, er kwam geen vervanging. Liduine reed daarop alleen rond in de dorpen rondom Ban Mê Thuot met haar jeep. Liduine was verantwoordelijk voor de distributie van benodigdheden voor eerstehulpposten, het uitdelen van voedingsmiddelen en zeep en het behandelen van wonden en ziektes, zoals mazelen en diarree. Oorlogswonden kwam ze maar af en toe tegen, vaak was dat een ongeluk en geen gerichte aanval. Grote gevechten kwamen op dat moment niet voor.

Het Rode Kruisidentiteitsbewijs van Liduina Verlinden, verstrekt door het Internationale Rode Kruis. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

De grootste moeilijkheden ondervond Liduine naar eigen zeggen in de taalbarrière en de uitdaging om de oudere bevolking, die in hun jeugd geen melk dronk, te overtuigen om de melk aan te nemen. Soms was er een tolk beschikbaar, maar ook dan ging het niet altijd goed. Zelf sprak Liduine alleen genoeg Vietnamees om zich te redden in de taxi en op de markt. Wel kon ze soms met Frans wegwijs worden in Vietnam, de taal was nog gangbaar in het zuiden van de voormalige Franse kolonie.

Flying solo

Na het vertrek van Josephine ging Liduine dus alleen verder met het Rode Kruiswerk in Ban Mê Thuot. Ze was niet de enige westerse hulpverlener in de regio, maar kende geen andere Nederlanders. Liduine stond wel in contact met de Amerikaanse verpleegsters van het nabije militaire hospitaal. Verder had ze met ‘de Amerikanen’ alleen contact als ‘er een vrachtwagen losgepeuterd moest worden’. Saigon was moeilijk bereikbaar: de wegen waren onbegaanbaar geworden door mijnen en oorlogsgeweld. Ze kon wel naar huis schrijven en brieven van haar thuisbasis in Nederland ontvangen. De brieven kwamen vrijwel altijd aan. Als Rode Kruislid had ze uiteraard ook het Rode Kruis achter zich.

Melkdistributiestation, 17 januari 1968. In het midden Liduina Verlinden, links Hendrik Beer, secretaris-generaal van de Liga van het Rode Kruis. Fotodienst Rode Kruis. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Liduine vond het niet eng om nog zes maanden alleen te werken, maar wel eenzaam. Hoewel het haar werd afgeraden om naar dorpen te gaan waar de gezondheidsdiensten niet durfden te komen, of naar dorpen die bij de Vietcong zouden horen, ging ze daar toch heen. Als Rode Kruis-lid voelde ze zich door iedereen gerespecteerd en veilig, ook als vrouw alleen. Of ze de Vietcong ook daadwerkelijk ontmoette, wist ze niet, maar dat was voor haar als neutraal Rode Kruis-lid niet belangrijk. Ze gaf in een interview aan nooit lastiggevallen te zijn: ‘Ach, er was wel geschutsvuur maar nooit vlak over het land. De granaten hoorde je meestal wel aankomen. Last met militairen heb ik nooit gehad. Noch van de Amerikanen, noch van de Viet Cong.’

Na terugkomst interviewde de ene na de andere krant de verpleegster. Vele verslaggevers probeerden haar een politieke mening te ontfutselen, maar tevergeefs. ‘Toen ik uit Nederland vertrok had ik een vaag oordeel. Alles wat ik ervan wist had ik uit kranten van de tv. Ik kijk er nu wel heel anders tegenaan. Het is zo anders als je zelf bent geweest, Het nieuws hier geeft zo’n eenzijdige belichting van de hele zaak. Veel te simplistisch,’ zei Liduine tegen een verslaggever van Het Parool in 1969.

‘Tien maanden daar is net genoeg om […] te weten dat je je geen oordeel kan vormen. Het is te kort. Het Rode Kruis is neutraal. Ik zou willen zeggen, dat ik mij ook zo opstel. Er staat één ding vast, er moet zo gauw mogelijk vrede komen in Vietnam.’

Ook zei ze tegen Het Parool: ‘Geloof me, ik ben overtuigd pacifiste, maar zet dat er maar niet in.’

Het Tet-offensief

Liduine zou rond januari terugkeren naar huis. Dat veranderde met de start van het Tet-offensief. Dat was een grote verrassingsaanval door de Vietcong op het Amerikaanse en Zuid-Vietnamese leger. De aanval begon op 30 januari 1968, tijdens Tết Nguyên Đán, het Vietnamees Nieuwjaar. Normaal gesproken was er dan een wapenstilstand, Zuid-Vietnamese soldaten gingen dan ook met verlof om het nieuwe jaar met hun naasten te vieren. Allerlei plaatsen werden tegelijkertijd aangevallen door de Vietcong. Het was een ramp. Door de verrassingsaanval besefte het Amerikaanse leger dat de Vietcong niet zo verzwakt waren als gedacht en dat de oorlog nog helemaal niet gewonnen was.

Ook in Ban Mê Thuot waren er aanvallen. Op dat moment werd er net feest gevierd om Tet te vieren. Het was avond toen de eerste granaten ontploften. Liduine en haar gezelschap dachten eerst dat er vuurwerk werd afgestoken om het nieuwe jaar mee in te luiden. Niets bleek minder waar.

 

Het Nederlandse Rode Kruis-identiteitsbewijs van Liduine Verlinden. Collectie Museum voor de Verpleegkunde
‘Er kwam een dronken Vietnamese soldaat binnen, die vertelde dat de Viet Cong vlakbij zat. We hebben hem uitgelachen. Een dag later konden we het huis niet uit. Het lag in de vuurlinie. Dat was begin januari. Pas half februari hoorden ze in Saigon dat ik nog leefde.’
Liduine Verlinden

Over gevaar moet je niet teveel nadenken

De vier maanden die Liduine eigenlijk in Vietnam zou blijven, werden er door het Tet-offensief tien. Ze moet heftige dingen hebben gezien en meegemaakt, maar ze sprak er in de kranten nuchter over. Aan het gevaar moest je volgens Liduine vooral niet te veel denken, het was tenslotte voornamelijk een kwestie van geluk of de bommen op je huis vielen of ernaast.

‘Als verpleegster heb je nauwelijks tijd om na te denken over hoe erg en verschrikkelijk het eigenlijk wel allemaal is. Je bent prozaïscher dan de leek. Zoals gezegd: je vindt dat er iets gedaan moet worden en dan doe je dat. Punt uit.’
Liduine Verlinden

 

Ook vertelde Liduine dat ze tijdens haar opleiding in het OLVG al leerde om uit zelfbescherming emotionele afstand tot patiënten te bewaren. Het hielp volgens haar ook dat ze oorlogsslachtoffers, in tegenstelling tot ziekenhuispatiënten, vaak maar kort zag. Daardoor kreeg ze ook geen tijd om over hun leed na te denken.

‘Ik heb me nooit laten meeslepen door emotionaliteit, dat kun je je als verpleegster niet veroorloven. Het wordt je trouwens al van den beginne af bijgebracht,’ legde Liduine uit. ‘Mensen met vervelende ziektes kunnen hier in Nederland ook ontzettend zielig zijn. Ik was dus wel enigszins geprepareerd in dat opzicht. Je vindt het wel erg, maar er is een grens aan die bewogenheid. Naderhand terug in Nederland werd het besef van die verschrikkingen schrijnender, maar het is een ervaring die ik nooit had willen missen.’

Het A-diploma van Liduine Verlinden, uitgereikt op 28 oktober 1965. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

De Florence Nightingale Medaille

Na haar terugkeer uit Vietnam werkte Liduine in Den Haag voor het Nederlandsche Jeugd Roode Kruis als provinciaal functionaris en stafmedewerkster. Een jaar later, toen ze 26 jaar oud was, werd de Florence Nightingale Medaille aan Liduine uitgereikt vanwege haar moedige werk in Vietnam. Ze was daarmee op dat moment de negende en de jongste Nederlandse verpleegkundige die de onderscheiding kreeg.

Liduine kreeg de Medaille opgespeld door koningin Juliana op 26 september 1969 in de Haagse Rolzaal op het Binnenhof. Ze was verrast maar ook vereerd dat ze de hoge onderscheiding kreeg voor haar werk in Vietnam.

De Florence Nightingale Medaille is de hoogste internationale onderscheiding voor verpleegkundigen en Rode Kruishelpers. Deze medaille wordt wereldwijd slechts eens per twee jaar aan maximaal vijftig mensen uitgereikt door het Internationale Rode Kruis. Er hoort ook een miniatuurversie bij, die gedragen kan worden bij speciale gelegenheden.

Koningin Juliana speldt de Florence Nightingale Medaille op bij Liduine Verlinden, 26 september 1969. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

De ovalen Florence Nightingale Medaille is van zilver en draagt aan de achterzijde de naam van de drager met daaronder de datum waarop de medaille werd toegekend. In de vergulde rand staat de tekst: Provera Misericordia et Cara Humanitate Perennis Decor Universalis. De voorzijde toont Florence Nightingale als ‘de dame met de lamp’ tijdens de Krimoorlog en in de rand de tekst: Memoriam Florence Nightingale 1820 – 1910 A.D. Het Kruis van Genève en de lauwerkrans op het lint zijn van verguld zilver en email in de kleuren rood en groen.

En of Liduine nog eens terug zou gaan naar Vietnam? ‘Ik zou wel terug willen naar Vietnam, maar niet op dezelfde post. Het was daar iets te veel mannetjesputterswerk voor een vrouw alleen.’

Liduine Verlinden en Josephine Melief bij de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille, 26 september 1969. Collectie Museum voor de Verpleegkunde

Brief Rode Kruis inzake arbeidsvoorwaarden aan Liduina Verlinden, 14 augustus 1967, Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

‘En dan doe je dat. Punt uit!’ De Telegraaf, 28 mei 1969.

‘Gevaarlijk? Daar moet je niet teveel aan denken’, De tijd, 7 juni 1969.

‘Florence Nightingale-medalje voor Ludine Verlinden’, Het vrije volk, 31 mei 1969.

‘FN-medaille voor Nederl. verpleegster’, De Volkskrant, 30 augustus 1969.

Fotoalbum ter gelegenheid van de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille aan Liduina Verlinden, samengesteld 1969, Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

‘Liduine Verlinden vond taak in Vietnam’, Het Parool, 31 mei 1969.

Pruis, Uko. ‘Het Tet-offensief (1968), 18 juni 2026, Historiek, geraadpleegd op 13 augustus 2026.

Toespraak bij de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille aan Liduina Verlinden, 26 september 1969, Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

‘Verpleegster naar Z.-Vietnam’, Het Rotterdamsch Parool, 23 augustus 1967.

‘Verpleegster werkte half jaar alleen op een buitenpost in Z.-Viëtnam’, Limburgsch Dagblad, 14 juni 1969.