Naar de inhoud
Deze website is onderdeel van beroepsvereniging V&VN Onderdeel van beroepsvereniging V&VN
Meestal thuis

Tot 1880 lieten mensen die het konden betalen zich thuis verplegen, vaak door familie of door religieuzen. Wie niemand had om op terug te vallen, kwam terecht in een gasthuis. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden de eerste voorlopers van het ziekenhuis zoals we die nu kennen.

Over ziektes en behandelingen was nog maar weinig bekend. Het belang van handen wassen, de basis van goede hygiëne, was pas net ontdekt. De meeste medicijnen die artsen nu voorschrijven bestonden nog niet en ook de röntgenfoto moest nog worden uitgevonden.

Zaalmeiden en -knechten

Gasthuizen waren geen prettige plek.  Niet voor de patiënten en ook niet voor het personeel. In de ziekenzalen werkten ongeschoolde zaalmeiden en zaalknechten. Verpleegkundigen waren er nog niet. Zaalmeiden en -knechten kwamen vaak uit arme gezinnen, hadden geen opleiding en moesten geld verdienen. Niet iedereen hield zich aan de regels. Zo zijn er verhalen over personeel dat eten van patiënten opat. Ook zouden de donkere gangen soms het toneel zijn geweest van ongewenste intimiteiten.

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam hier verandering in. Gegoede dames, onder wie Anna Reynvaan, zetten zich in om de zorg te verbeteren. Daarmee legden zij de basis voor de professionalisering van de verpleging.

Portret Anna Reynvaan omstreeks 1890. Afdruk uit W.H. Posthumus de Groot & Anna de Waal, 'Van moeder op dochter' (1968).


Anna
Reynvaan

1844-1920
Johanna Paulina Reynvaan leek in eerste instantie niet voorbestemd om verpleegster te worden. Toch was zij een van de eersten die het diploma van het Witte Kruis behaalde. Daarmee speelde zij een belangrijke rol in de ontwikkeling van de verpleging in Nederland.

Na korte tijd in het Burgerziekenhuis te hebben gewerkt, koos Reynvaan voor een andere weg. Ze wilde de omstandigheden in de gasthuizen verb...

Reynvaan vond dat een goede verpleegster naast kennis en vaardigheden ook opofferingsgezindheid en barmhartigheid moest tonen. Het werk van ...

Actief tot het laatst

In 1895 vierde Reynvaan dat zij 12,5 jaar werkzaam was in het Buitengasthuis, dat inmiddels was omgedoopt tot Wilhelmina Gasthuis. Als dank ...

Anna Reynvaan nu

Het belang van Anna Reynvaan voor de Nederlandse verpleging leeft tot op de dag van vandaag voort. De voormalige verpleegstersopleiding in h...

Verpleging door religieuzen

Religieuzen speelden lange tijd een belangrijke rol in de zorg en verpleging. Maar wie zette nu eigenlijk de eerste stap naar professionalisering? Was dat de opening van het eerste protestantse diaconessenziekenhuis in Utrecht in 1844? Of de katholieke Zusters van Liefde, die al in 1837 in Amsterdam actief waren? Misschien wel de opleiding voor lekenverpleegsters, de pleegzusters, die De Vereeniging voor Ziekenverpleging vanaf 1843 organiseerde. En hoe zat het met de Joodse ziekenhuizen?

Wat opvalt: bij religieuzen lag de nadruk vaak meer op het zielenheil van de patiënt dan op het lichaam. Het leven na de dood werd belangrijker gevonden dan het aardse bestaan.

Dames van stand

Halverwege de 19e eeuw volgden gegoede dames het voorbeeld van protestantse diaconessen en katholieke kloosterzusters. Zij deden aan liefdadigheid en zagen verplegen als een passende bezigheid voor vrouwen. Net als de religieuze verpleegsters kregen zij meestal geen salaris, en dat hadden ze ook niet nodig.

Door de groei van het aantal ziekenhuizen ontstond er steeds meer vraag naar leerling-verpleegsters. Daardoor kregen ook vrouwen uit minder welgestelde families een kans in het vak. Aan het eind van de 19e eeuw gingen verpleegsters zich organiseren in beroepsverenigingen. Daarmee begon de lange weg naar erkenning van het beroep en naar betere arbeidsvoorwaarden.

Diaconessenuniform met cape. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Medische ontwikkelingen

In de tweede helft van de 19e eeuw volgden de medische ontdekkingen elkaar snel op. Wetenschappers probeerden te begrijpen hoe het menselijk lichaam werkt. Elektriciteit kreeg nieuwe toepassingen, röntgenstraling werd ontdekt en ether en chloroform bleken geschikt als narcosemiddelen.

Artsen die rijke patiënten eerst nog thuis behandelden, en soms zelfs daar opereerden, verhuisden steeds vaker naar het ziekenhuis. Vooral na de invoering van anti-sepsis en asepsis werd dat belangrijk, omdat een steriele omgeving nodig was. Met de groeiende kennis kwamen ook de eerste specialisaties. Daardoor ontstond een steeds grotere behoefte aan goed opgeleide verpleegkundigen.

De omstandigheden in de gasthuizen waren slecht voor patiënten. Daarom vond verpleging meestal thuis plaats, door familie of religieuzen die het vak in de praktijk leerden. Door medische vooruitgang groeide de behoefte aan goed opgeleide verpleegsters. In 1843 werd in Amsterdam de Vereeniging voor Ziekenverpleging opgericht. Deze vereniging begon met het opleiden van verpleegsters en stichtte in 1857 het Prinsengracht Ziekenhuis. Het idee om een ziekenhuis te koppelen aan een opleiding kwam uit de diaconessenhuizen en katholieke ziekenhuizen. In de tijd van de verzuiling wilde iedere religieuze stroming een eigen ziekenhuis, eigen opleiding en eigen verpleegsters.

Verpleegsters in serre van het Prinsengrachtziekenhuis, 1915. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De opleiding

In de tweede helft van de 19e eeuw openden de eerste ziekenhuizen met verpleegstersopleidingen hun deuren. Voor de opleiding van leerling-verpleegsters bestonden nog geen vaste regels voor diploma’s, uniformen of insignes.

Dat veranderde in 1875, toen de eerste kruisvereniging werd opgericht: De Noord-Hollandsche Vereeniging Het Witte Kruis tot Afwering van Epidemische Ziekten en Hulpbetoon tijdens Epidemieën. Bij Het Witte Kruis stonden hygiëne verbeteren en onderwijs in de basis van gezondheidszorg centraal. Om een diploma te krijgen, moesten de leerlingen een theoretische cursus volgen en enkele maanden praktijkervaring opdoen. Die praktijk liep meestal in de traditionele gasthuizen.

Wit (ivoren) kruis, insigne voor een gediplomeerd verpleegster van het Witte Kruis. Uitgereikt tussen 1883-1921. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Het dilemma van de dokter

Voor artsen begon in de tweede helft van de 19e eeuw een nieuwe periode. Ze kregen aanstellingen in ziekenhuizen als geneesheer-directeur en hadden in het begin de leiding over het hele ziekenhuis. Opgeleide verpleegsters uit de gegoede burgerij namen het werk over van de zaalknechten en zaalmeiden uit lagere klassen. Adjunct-directrices werden verantwoordelijk voor de verpleegsters, de opleiding én de huishoudelijke dienst.

Deze veranderingen verbeterden de zorg en waren dus ook voordelig voor de artsen. Tegelijkertijd wilden de geneesheren hun net verworven positie in de ziekenhuizen niet opgeven. De relatie tussen arts en verpleegster was ingewikkeld. Ze hadden elkaar nodig, maar er was ook wrijving. Frederike Meyboom herinnerde zich dat een arts tegen haar zei:

Hoe meer een zuster weet, hoe nadeliger het voor haar is, voor háár én voor de medicus,
Frederike Meyboom

Dit paste bij de ideeën in het lesboek uit 1895 van Dr. Nolst Trenité: verpleegsters mochten zich niet op het terrein van de arts begeven. Toch stelden de dames van de redactie van het Maandblad voor Ziekenverpleging al in 1892 dat zij zich wilden onthouden van de bespreking van alle medische onderwerpen.

Frederike Meyboom op haar laatste dag als directrice van het Gemeente Ziekenhuis Bergweg te Rotterdam, juni 1926. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

De rol van artsen

Bij de eerste verpleegopleidingen gaven artsen de theorielessen. Ze schreven lesboeken, waarin stond: “Ziekenverpleging is een onderdeel van de medische wetenschap.” De lessen gingen bijvoorbeeld over “De bouw en werking van het menselijk lichaam” en “De verpleegster, haar werkplek en haar taken.”

De adjunct-directrices gaven het praktijkgedeelte van de driejarige opleiding in het ziekenhuis. De leerlingen woonden intern en volgden een in-service opleiding. Ze maakten schoon, kookten, wasten en verzorgden de patiënten.

Ook vrouwen die niet als verpleegster wilden werken, vonden de opleiding nuttig. Zij zagen het als goede voorbereiding op hun huwelijk en rol als huisvrouw. Verpleging werd daarom vooral als een typisch vrouwelijke bezigheid gezien.

Opleidingsinsignes

Al in het Buiten-Gasthuis, de voorloper van het Wilhelmina-Gasthuis, kregen leerling-verpleegsters na hun proeftijd dit zilveren huisinsigne in de vorm van een sleutel uitgereikt. Het was bedacht door adjunct-directrice Anna Reynvaan en geneesheer-directeur Dr. van Deventer. Ook het Binnen-Gasthuis had een sleutel als insigne, maar dan met twee gekruiste sleuteltjes en een klein kruisje daarvoor. De sleutels als insigne zijn terug te voeren op Sint Pieter. Het Binnengasthuis was de voortzetting van het St. Pieters Gasthuis.

De duif is het symbool voor de diaconessenbeweging. Het staat voor de Heilige Geest, die mensen inspireert tot goed werk onder de medemensen. De duif vliegt voor het kruis van Christus, als symbool voor het werk dat voor de naasten wordt gedaan.

Op afbeeldingen staat de heilige Elisabeth vaak afgebeeld met drie kronen. De veronderstelling is dat het hierbij gaat om de drie kronen van de vorstendommen Thüringen, Bohemen en Hongarije. Een andere uitleg is dat ze de drie kronen verdiende: de kroon der martelaren vanwege haar boetedoening, de kroon der maagden om haar zuiverheid en de kroon der predikers dankzij haar goede voorbeeld. Weer een andere verklaring schrijft de drie kronen toe aan drie belangrijke perioden in haar leven: als  maagd, als echtgenote en als weduwe.

De aanloop naar de wet van 1921

Rond 1900 waren verpleegopleidingen nog niet landelijk geregeld. Dat veranderde in 1921 met de invoering van de Wet tot Wettelijke Bescherming van het Diploma Ziekenverpleging.

Hieraan ging een strijd vooraf tussen twee organisaties. De Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, kortweg De Bond, bestond sinds 1893 en werd vooral gesteund door ziekenhuisdirecties, die zich verzetten tegen betere arbeidsvoorwaarden voor verpleegkundigen. De vakvereniging Nosokómos, opgericht in 1900, streed juist voor een goede, hooggekwalificeerde opleiding onder toezicht van de staat en voor een eerlijk salaris voor het verplegend personeel.

Groepsfoto Nosokomos ter ere van hun 25-jarig bestaan, 1925. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Wettelijke bescherming

De Wet tot Wettelijke Bescherming van het Diploma Ziekenverpleging van 1921 beschermde het diploma, het zogenaamde A-diploma, en de naam ‘verpleegster’, maar niet het werk zelf. Dienstbodes zonder opleiding mochten dus nog steeds verplegen. Bij behalen van het diploma werden er nog maar twee soorten insignes uitgegeven: een zilveren kruis voor het diploma A (algemene ziekenverpleging) en een blauw kruis voor het diploma B (‘krankzinnigen’ verpleging)

De opleiding bleef in-service en een goed salaris bleef uit, ondanks de inzet van Nosokómos. Ziekenhuisdirecties konden goedkope leerlingen inzetten voor werk dat eigenlijk door gediplomeerden gedaan had moeten worden. Pas in de jaren 1970 veranderde de opleiding ingrijpend.

‘Een onderscheidingsteken van zilver 933/000, voorzien van zilveren broche-sluiting met stalen speld. Het onderscheidingsteken is cirkelvormig en heeft een middellijn van 3 cm. De voorzijde vertoont een gelijkarmig zilveren kruis ter hoogte en breedte van 18 mm, terwijl de breedte van ieder der armen 6 mm bedraagt. Dit kruis is aangebracht op een oranje achtergrond, waarvan de omtrek een cirkel is met een middellijn van 21 mm. In de zilveren ring van 4,5 mm breedte leest men de woorden ‘Ziekenverpleging’ rechtsom en ‘Wet’ linksom. Deze woorden zijn aangebracht in groen geëmailleerde letters met een hoogte van 3 mm. Tussen de Z en de W en tussen de T en de G bevindt zich een punt die de woorden ‘Ziekenverpleging’ en ‘Wet’ scheidt.’

Het ziekenhuis als springplank

Niet alle vrouwen met een A-diploma gingen in het ziekenhuis werken. Sommigen werden wijkverpleegster of particulier verpleegster. Particuliere verpleegsters deden vaak ook huishoudelijke taken. De wijkverpleging bood de beste kansen op een zelfstandige en inhoudelijk interessante baan.

Verpleegsters konden ook op andere plaatsen buiten het ziekenhuis aan de slag, bijvoorbeeld bij de kinderpolitie, in gevangenissen, opvoedingsgestichten, als schoolverpleegster of zelfs op zee.

Vanaf 1928 konden verpleegsters in het ziekenhuis zich specialiseren met een wijk-, kraam- of kinderaantekening als aanvulling op het A-diploma. De wijkaantekening was te herkennen aan een vierkant vlak achter het zilveren kruis. De kraamaantekening aan een ooievaartje op het insigne. Het behalen van de kinderaantekening was zichtbaar aan twee stipjes op het kruis.

 

Het insigne ziekenverpleging A met daarop de kinder-, kraam- en wijkaantekening. Collectie Museum voor de verpleegkunde.

Ziekenhuizen en verpleegsters

Vanaf het einde van de 19e eeuw nam het aantal opleidingen voor ziekenverpleging sterk toe, net als het aantal ziekenhuizen. Het publiek raakte gewend aan het idee om in een ziekenhuis verzorgd te worden.

Patiënten konden een ziekenhuis kiezen dat paste bij hun godsdienst of sociale stand. Dit was bijvoorbeeld te zien in verschillende klassen: een patiënt betaalde meer voor de eerste klasse dan voor de vijfde.

Door de groei van het aantal ziekenhuizen steeg begin jaren ‘20 de vraag naar verpleegsters. Artsen droegen bepaalde taken aan hen over en verpleegsters werden onmisbaar in het ziekenhuis. Dat bleef zo, ook al wisselden de omstandigheden op de arbeidsmarkt.

Specialisatie binnen het ziekenhuis

De aantekening wijkverpleging opende voor A-verpleegsters de deur naar een carrière buiten het ziekenhuis. Binnen het ziekenhuis konden verpleegsters zich specialiseren door de aantekening kinder- en kraamverpleging te halen.

Kraamverpleging richtte zich op werkzaamheden in het ziekenhuis, terwijl kraamzorg onderdeel was van de wijkverpleging aan huis. Tijdens de opleiding leerden de leerlingen over anatomie, fysiologie, zwangerschap, bevalling en kraambed.

Ze moesten zes maanden praktijkervaring opdoen op de verloskundige afdeling, twintig bevallingen bijwonen en zorgen voor twintig kraamvrouwen en pasgeborenen. Er werd veel aandacht besteed aan afwijkingen, zowel bij de zwangerschap en geboorte als bij de baby.

Wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog begon de periode van wederopbouw. Eerste levensbehoeften zoals voedsel en kleding waren op rantsoen. Er was een tekort aan verpleegkundigen en artsen. Ziekenhuizen en medische apparatuur waren verouderd, en verpleegmiddelen en medicijnen schaars. Door de uitputting van veel mensen door honger kregen besmettelijke ziektes vrij spel.

Door de Ziekenfondswet van 1941 deden meer mensen dan ooit tevoren een beroep op medische zorg. Er ontstond een verschuiving van hulp door de huisarts naar hulp door specialisten in ziekenhuizen. Nieuwe vakgebieden zoals cardiologie en intensive care werkten nauw samen, geïnspireerd door Amerikaans voorbeeld. Talrijke nieuwe middelen en technieken, zoals antibiotica en het elektrocardiogram, kwamen in gebruik.

Meisjeszaal in het St. Elisabeth Ziekenhuis te Leiden, ca. jaren 50. Collectie Museum voor de Verpleegkunde.

Specialisatie

Specialisatie in de geneeskunde leidde ook tot specialisatie in de verpleging. Net als begin 20e eeuw droegen artsen taken over aan het verplegend personeel. Dit betekende extra werk voor verpleegkundigen, zoals ze vanaf 1968 officieel heten.

Zij gaven sommige taken door aan ziekenverzorgenden, die sinds 1965 een erkende opleiding hebben. Verpleegkundigen moesten ook bijgeschoold worden. In de jaren 1970 kwamen er dagopleidingen: de 3-jarige MBO Verpleegkundige (MBO-V) en de 4-jarige HBO Verpleegkundige (HBO-V).

Tegelijkertijd ontstond de vraag om wetenschappelijke onderbouwing van de verpleging. Academische ziekenhuizen waren hiervoor de juiste plek, maar het bleef belangrijk dat de patiënt centraal stond.

Klik om media te zien (Marketing cookies)

Onze tips:

  • Kooij, C.H. van der, ‘1890-1990. De vermaatschappelijking van de zorg.’ in: A.H.M. van den Bergh-Braam, C.H. van der Kooij, A.E.W.M. van de Pasch red., Honderd jaar verplegen. Een bijsluiter over gisteren met een opening naar morgen (Lochem, 1990) 13-64.
  • Spijker, Truus, Mooi en beschaafd verplegen. Verpleegkundige studies (Lochem, 1979).
  • Wiegman, Nanny, ‘Gij completeert zijn arbeid: over de professionalisering van het verpleegkundig beroep (1880-1925)’, Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek. Gewina, jg 19, nr 4 (1996) 296-312.
  • Bakker – van der Kooij, Cora, ‘De maatschappelijke positie van verpleegsters in de periode 1880-1940’, Tijdschrift voor Geschiedenis, jg 96, nr 3 (1983) 454-475.*
    Bakker – van der Kooij, Cora, ‘Mara. Pleegzuster zijn. Ontwikkelingen in de ziekenverpleging en de organisatiepogingen van verpleegsters in Nederland, 1870-1920’ in: Josine Blok et al. red., Jaarboek voor vrouwengeschiedenis (Nijmegen, 1981) 193-221.*
  • Beets, Maria E., Harptonen (Nijmegen, 1892).*
  • Bergh-Braam, A.H.M. van den, ‘De hoofdverpleegkundige’ in: A.H.M. van den Bergh-Braam, C.H. van der Kooij, A.E.W.M. van de Pasch red., Honderd jaar verplegen. Een bijsluiter over gisteren met een opening naar morgen (Lochem, 1990) 139-150*
  • Binnenkade, Cornelis, Honderd jaar opleiding tot verpleegkundige in Nederland 1872-1972 (Leiden, 1973).*
  • Bosch Kemper, Jeltje de, ‘De ziekenverpleging in Nederland’, Maandblad voor Ziekenverpleging, jg 3, nr 1 (1892) 2-8.*
  • Brink-Poort, Martha van, Anna Reynvaan (Amsterdam, 1979).*
  • Dane, Corrie, Geschiedenis van de ziekenverpleging (7e druk, Lochem/Gent, 1985).
  • ‘De Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging’, Maandblad voor Ziekenverpleging, jg 3, nr 6 (1893) 117-123.*
  • Gemert, Victor van, en Truus Spijker, Verdichtsel en werkelijkheid (3e druk, Lochem, 1990).*
  • Goelabdien, Raymond, Van roeping tot beroep. Verpleging en verzorging in historisch perspectief (2e druk, Utrecht, 1997).*
  • Goudriaan, G. en J.M.M. Willemse, ‘Vijftien jaar aanloop tot verandering’ in: A.H.M. van den Bergh-Braam, C.H. van der Kooij, A.E.W.M. van de Pasch red. Honderd jaar verplegen. Een bijsluiter over gisteren met een opening naar morgen (Lochem, 1990) 139-150.*
  • Goudswaard, N.B., Inleiding tot de geschiedenis van de verpleegkunst (Rotterdam, 1994).*
  • Graaf, Toine de, et al. red., Verpleging in beeld. Honderd jaar Tijdschrift voor Ziekenverpleging (Lochem, 1990).*
  • ‘Herdenking van den 70sten verjaardag van Mej. J.P. Reijnvaan’, Tijdschrift voor Ziekenverpleging, jg 24, nr 8 (1914).*
  • Heyden, J.T.M. van der, Het ziekenhuis door de eeuwen. Over geld, macht en mensen (Rotterdam,1994).*
  • Houwaart, E.S., ‘Medische Techniek’ in: J.W. Schot et al. red.,Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, Deel 4 (Zutphen, 2001) 153-281.*
  • Huizenga, J., Memorabele mensen en momenten uit de geschiedenis van de intramurale gezondheidszorg (Lochem, 1991).*
  • Kooij, C.H. van der, ‘1890-1990. De vermaatschappelijking van de zorg.’ in:
  • A.H.M. van den Bergh-Braam, C.H. van der Kooij, A.E.W.M. van de Pasch red., Honderd jaar verplegen. Een bijsluiter over gisteren met een opening naar morgen (Lochem, 1990) 13-64.*
  • Lieburg, Marius Jan van, Het Coolsingelziekenhuis te Rotterdam (1839-1900). De ontwikkeling van een stedelijk ziekenhuis in de 19e eeuw (Amsterdam, 1986).*
  • Mara, Pleegzuster zijn! (Amsterdam, 1897).*
  • Meij – de Leur, A.P.M. van der, Van olie en wijn. Geschiedenis van verpleegkunde, geneeskunde en sociale zorg (2e druk, Amsterdam/Brussel, 1974).*
  • Meyboom, F., Grepen uit de geschiedenis van zorgen en verzorgen (Amsterdam, 1970).*
  • Nolst Trenité, A.N., Handboek der Ziekenverpleging, (2e druk Amsterdam, 1895).*
  • Rijpstra-Verbeek, Mimi, Dienend in het wit. Het levensverhaal van zuster F. Meyboom (Lochem, 1962).*
  • Spijker, Truus, Mooi en beschaafd verplegen. Verpleegkundige studies (Lochem, 1979).*
  • Terlouw, Sanne, Cora van der Kooij en
  • Marianne Eisma, Steekhoudend Vakwerk (Amsterdam, 1992 ).*
  • Trimbos, C.J.B.J., ‘Verpleging en toekomst’, Tijdschrift voor Ziekenverpleging jg 20, nr 9 (1967) 322-327.*
  • ‘Verenigingsnieuws Nationale Bond van Verplegenden’, Tijdschrift voor Ziekenverpleging jg 14, nr 12 (1961) 415-418.*
  • Vernède, C.H., Geschiedenis der ziekenverpleging (Haarlem, 1927).*
    ‘Verslag van de Samenkomst van belangstellenden in ziekenverpleging op 4 en 5 October 1892, in het Wilhelmina-Gasthuis te Amsterdam’, Bijvoegsel van het Maandblad voor Ziekenverpleging, jg 3 nrs 2 en 3 (1892) 34-83.*
  • Wiegman, Nanny, ‘Zusters in smetteloos wit: een blanco bladzijde in de Nederlandse geschiedschrijving?’, Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek. Gewina, jg 16, nr 2 (1993) 63-79.*
  • Wolkers, Jan, Kort Amerikaans (Amsterdam, 2007).*
  • IJzeren, H. van, ‘De afbakening van de taak van de arts en van de verpleegster in het ziekenhuis’, Tijdschrift voor Ziekenverpleging jg 17, nr 9 (1964) 295-297.*