Krankzinnigen-verpleging
Oppasser Johannes van Duuren
In 1841 vonden twee inspecteurs dat Johannes van Duuren, de Nijmeegse ‘oppasser’ in een ‘dolhuis’, het voorbeeld moest zijn voor iedereen die in een krankzinnigengesticht werkte. Van Duuren haalde ‘dollen’ uit hun cellen, liet ze aan tafel eten en ze bood werk of dagbesteding. De Nederlandsche Vereeniging voor Psychiatrie (NVvP, opgericht in 1871) streefde ook naar betere zorg voor de ‘krankzinnigen’.
Tact en zachtheid
In de tweede ‘Krankzinnigenwet’, de Wet tot regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten uit 1884, stond dat elk geneeskundig gesticht minstens één arts moest hebben voor elke tweehonderd patiënten. Er stond niet in hoeveel begeleiders er dan moesten zijn. In 1890 moedigde geneesheer-directeur Jacob van Deventer, verbonden aan de NVvP, artsen aan om opleidingsprogramma’s te ontwikkelen voor de ‘oppassers’, zowel voor vrouwen als mannen. In de praktijk waren het vooral mannen die in de psychiatrie werkten. Ze moesten leren dat ziekte het gedrag van krankzinnigen veroorzaakte en dat zij met tact en zachtheid moesten worden benaderd, zoals oppassers Constance Thönissen en Antonia Wilhelmina van Deventer-Stelling deden. Later zou het afnemen van eindexamens in krankzinnigenverpleging de belangrijkste activiteit van de NVvP worden.
Verplegen in de GGZ